De toekomst van de advocatuur



Het teveel aan advocaten

Er is de laatste tijd veel te doen geweest over het feit of er al dan niet teveel advocaten zijn. Anderen (mis)gebruikten de berichtgeving om aan zelfpromotie te doen.

De discussie werd daarbij gevoerd vanuit een eenzijdig perspectief. De moeilijkheden en zelfs crisis waarin de advocatuur zich in België bevindt, zou te wijten zijn aan het teveel aan advocaten. Zonder daarbij de echte grond van de zaak te onderzoeken en te komen tot een juiste analyse.

Vaststelling 1: er zijn daadwerkelijk teveel advocaten

Dat er teveel advocaten zijn, kan moeilijk ontkend worden. De toestroom aan advocaten is veel groter geweest dan de vraag vanuit de markt.

In dat kader zijn de gemiddelde verdiensten voor een advocaat zeer laag in vergelijking met andere juridische beroepen. Deze evolutie is al jaren aan de gang. 

Echter de probleemstelling zou onder normale marktomstandigheden snel opgelost moeten worden, bij een overaanbod daalt de prijs en stabiliseert de situatie: advocaten verlaten de balie en de prijs kan terug stijgen. Daar schuilt echter het échte probleem: de marktmobiliteit van de stagiair die 3 jaar opgeofferd heeft om tot de selecte groep van tableau-advocaten toe te treden. Deze stagiairs beginnen met grote hoop en verwachtingen aan hun stage met de foutieve veronderstelling dat na het afronden van de zware en onderbetaalde stage de gouden jaren een aanvang nemen of een succesvolle eigen praktijk kan uitgebouwd worden. Daarover verder meer.

Vaststelling 2: daling van de tarieven en overconsumptie van het recht

Dat de daling van de tarieven een feit is, kan moeilijk ontkend worden. In vergelijking met buurland Nederland, bengelen de tarieven van Vlaamse advocaten gevaarlijk laag. Maar langs de andere kant: nog steeds is het ereloon niet dermate gezakt dat de advocaat goedkoop wordt.

Er is echter een reden waarom dit niet zo is: ook hier is er maar een beperkte marktwerking. Wie een advocaat nodig heeft, is niet geneigd tarieven te vergelijken of te "shoppen". Dit heeft alles te maken met een gebrek aan transparantie van tarieven en de nog steeds geldende attitude van de advocaat om zich te onthouden van een "race to the bottom" en het centraal plaatsen van de cliënt.

Dan volgt ook noodzakelijkerwijze een terecht punt van kritiek: advocaten hebben de mogelijkheid om kunstmatig hun aandeel te behouden of het verlies aan inkomen te beperken. Zij hebben namelijk een immense morele invloed op de rechtzoekende bij de beslissing om al dan niet een bepaald twistpunt verder te zetten of te beëindigen. Vaak is deze grens, behoudens flagrante gevallen, flinterdun en is het voor een leek quasi-onmogelijk om op eigen houtje het advies van de advocaat te verifiëren. Dit heeft ongetwijfeld geleid tot een (gedeeltelijke) overconsumptie van het recht.

De gemaakte vaststellingen leiden tot verschillende problemen

Probleem 1: er zit geen rek meer op het aantal zaken 

De rek is volledig uit de markt voor "juridische producten" en in het bijzonder de kernactiviteit van de advocaat. Opeenvolgende wijzigingen vanwege de overheid hebben een toenemende druk geplaatst:

- De wijzigingen aan het systeem van de rechtspleging, met een verhoging van de forfaitaire vergoeding die de "in het gelijk gestelde" partij bekomt, wat de gevoelens voor een minnelijke regeling uitermate bevordert

- Het aanrekenen van BTW op de prestaties van advocaten

- De verhoging van de rolrechten en andere gerechtskosten

- Het door de overheid beperken van de instroom van dossiers naar justitie zowel in eerste aanleg als in graad van beroep

- Nieuwe procedures zoals bij de invordering van onbetwiste geldvorderingen, waarbij de gerechtsdeurwaarders centraal komen te staan (praktische invoering ten laatste 1 september 2017)

Deze laatste maatregel is zeer problematisch voor de advocatuur, die een zeer belangrijke bron van werk en inkomsten verloren ziet gaan. De OVB getroost zich met de vaststelling dat de advocaat betrokken blijft bij de procedure, maar tegelijk wordt achter haar rug een grootschalige samenwerking opgezet tussen de staatsbank BELFIUS en het grootste gerechtsdeurwaarderskantoor van Vlaanderen. Het hoeft geen betoog dat de rol van de advocaat bij dergelijke samenwerking gedecimeerd wordt. Verbazingwekkend genoeg volgt geen enkele reactie van de OVB.

Probleem 2: de cliënt staat niet centraal

Het tweede probleem dat blijft bestaan, is dat de cliënt voorheen de advocaat centraal plaatste bij een juridische problematiek en zelfs onder het moreel gezag van de advocaat stond. Het was vroeger niet ongebruikelijk dat een cliënt zich tot een advocaat wendde met een zaak en vervolgens jaren niets meer vernam om dan uiteindelijk plots een arrest in hoger beroep (al dan niet met positief resultaat) voorgeschoteld te krijgen. De afrekeningen zouden als het ware door God geschapen kunnen zijn zonder enige detaillering of vermelding van wat voor tarief dan ook.

De realiteit haalt de advocaat nu in snel tempo in. De cliënt is door de internetrevolutie mondig geworden en doet aan self-lawyering. De trend is niet meer te stoppen. De traditionele advocaat kijkt verbijsterd naar de cliënt die meer lijkt af te weten van het probleem dan hij/zijzelf.

Allerlei nieuwe concepten worden bedacht, waarbij de cliënt terecht centraal komt te staan. Het verzet van de balie tegen online platformen is treffend en een volledig anachronisme. 

De advocaat is zelf niet meer het centrum van het universum. Integendeel, hij/zij wordt nu vergeleken met andere advocaten en andere aanbieders van juridische diensten die vaak wel transparant zijn en op prijs kunnen en willen concurreren.

Het moreel gezag van de advocaat brokkelt intussen verder af. De privileges die eeuwenlang standhouden, lijken niet meer vanzelfsprekend. Het meest evidente voorbeeld is natuurlijk het pleitmonopolie. Uit al de maatregelen van de overheid blijkt een zeer groot wantrouwen ten aanzien van de advocaat. Het is een kwestie van tijd voor de als verworven beschouwde voordelen aan de beurt zijn. Pogingen van de balies om hieraan te verhelpen, zoals reclamespots en allerhande mediastunts (vivabox, anyone?) dragen water naar de zee en helpen geenszins het imago van de advocaat te verbeteren.

Beleidsoplossingen

De OVB steekt nog steeds de kop in het zand, wat onbegrijpelijk is. Erger nog, het minimaliseert de problemen en gebruikt een boutade om deze te moeten onderkennen: "er is voldoende werk". Twee maatregelen kunnen nochtans voorgesteld worden om zeer snel en op korte termijn een oplossing te bieden:

Punt 1: de stage: Een drastische verhoging van het minimumloon van de stagiair met daaraan een verbetering van het sociaal statuut. Tegelijk moet er een veel strengere controle komen op het patroonschap en een verplichte en grondige periodieke evaluatie bij elke stage. Zo wordt vermeden dat de advocaat-stagiair gedwongen jarenlang met een financiële strop rondloopt.

Het animo voor deze belangrijke wijziging zal uiteraard niet groot zijn. Vele advocaten hebben decennialang goed geboerd door het patronage dat als verkapte vorm van moderne slavernij dienst deed. De structuren van de balies zijn ervan doordrongen. Tijden veranderen echter en het is niet van deze tijd om te denken dat de stagiair dankbaar moet zijn voor een stageplaats en daar zelfs financieel voor moet inleveren. Precies deze mentaliteit heeft de problemen gebaard zoals ze nu bestaan.

Punt 2: de deontologie: Een herbronning over de kernwaarden van de advocatuur en de bescherming daarvan. De advocaat moet als dienaar van het recht net zoals de andere actoren van justitie op objectieve wijze streven naar rechtvaardigheid. Hij is waarlijk de eerste rechter van het geschil en zijn toegevoegde meerwaarde (BTW weet u wel) bestaat erin dat hij als geen ander een situatie helder juridisch kan analyseren door zijn goede vorming (zie punt 1: stage) en beroepservaring.

 

Deze bijdrage wordt anoniem gepubliceerd.