Exceptio obscuri libelli



Grondslag exceptio obscuri libelli

Op grond van artikel 702, 3° Ger. W. moet de dagvaarding op straffe van nietigheid het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten:

Art. 702. Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid, de volgende opgaven :

  1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de eiser;
  2° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde;
  3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
  4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
  5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzetting.

Met de woorden korte samenvatting van de middelen wordt geen rechtsregel bedoeld, maar wel de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen.

De exceptie die gegrond is op het ontbreken van de formulering of uiteenzetting van de vordering wordt de exceptio obscuri libelli genoemd, letterlijk het verweer wegens duistere/onduidelijke vordering.

De exceptio obscuri libelli is gegrond in de overweging dat de verweerder zich moet kunnen verdedigen tegen de aantijgingen die tegen hem of haar geformuleerd worden en maakt aldus een onderdeel uit van het recht op verdediging.

De eisende partij is dus verplicht om voldoende feiten aan te voeren die zijn vordering ondersteunen, teneinde een exceptio obscuri libelli de kans op slagen te ontnemen.

Exceptio obscuri libelli is een relatieve nietigheid

De exceptio obscuri libelli is een nietigheidsvordering die valt onder de algemene nietigheidsleer van het gerechtelijke wetboek. Aldus is de nietigheid wegens schending van artikel 702, 3° Ger. W. een relatieve nietigheid. In overeenstemming met artikel 861 Ger. W. moet vaststaan of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

Deze belangenschade wordt afgemeten aan de mogelijkheid van de verweerder om zich te verdedigen op basis van de feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen.

De belangenschade kan mogelijk ook zonder voorwerp worden door de overmaking van het dossier.

De belangenschade kan er o.a. in bestaan dat door het verloop van een bepaalde termijn de rechten van verdediging geschonden zijn.

De exceptio obscuri libelli wordt dus niet steeds onverkort gegrond verklaard. De rechter kan de gevolgen van de exceptie verzachten door aan te nemen dat de belangen van de verweerder niet geschaad zijn.

Zo oordeelde de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in een vonnis van 8 januari 1996 dat er geen sprake was van belangenschade indien de gedaagde voldoende was voorgelicht door de briefwisseling en conclusies.

Ook wanneer door latere precisering bij conclusie de vordering wordt verduidelijkt, bij een tegenstrijdige dagvaarding, kan de exceptio obscuri libelli onder omstandigheden niet aanvaard worden, verduidelijkte dezelfde Arbeidsrechtbank te Antwerpen.

In strafzaken dient het openbaar ministerie onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid geboden worden de vorderingen te preciseren, zodat niet zonder meer de exceptie kan aangenomen worden. 

Toepassingsgeval exceptio obscuri libelli

In deze zaak had een sociaal verzekeringsfonds de erfgenamen van een zelfstandige gedagvaard in betaling van de sociale bijdragen die nog openstonden voor een totaalbedrag van 16.043,69 EUR.

Aan het origineel van de dagvaarding werd een afschrift toegevoegd van het rekeninguittreksel op naam van de overledene.

De erfgenamen voerden aan dat de dagvaarding hun belangen had geschonden, nu deze onvoldoende gespecifieerd was en zij niet konden opmaken op wat de vordering gesteund was.

In eerste aanleg werden de erfgenamen in het ongelijk gesteld en veroordeeld om het volledige bedrag te betalen.

De erfgenamen tekenen hoger beroep aan bij het Arbeidshof te Brussel, dat zich opnieuw dient uit te spreken over de opgeworpen exceptio obscuri libelli.

Het Hof stelt vooreerst vast dat de woorden korte samenvatting van de middelen niet de rechtsgrond van de vordering betreft, maar wel de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen.

Nog stelt het Hof vast dat bij het innen van sociale bijdragen het kan volstaan om een rekeninguittreksel toe te voegen aan de dagvaarding met daarin de detaillering van de vordering.

Echter oordeelt het Hof dat er geen correct en volledig rekeninguittreksel voorligt en aldus een daadwerkelijke controle verhinderd hebben.

Gedurende meer dan 17 jaar bleef het dossier bovendien bij het sociaal verzekeringsfonds liggen en pas in 2009 werd bij besluiten voor het eerst het correcte en volledige rekeninguittreksel voorgelegd.

De laattijdige mededeling schaadt de erfgenamen volgens het Hof in hun rechten van verdediging.

Het Hof verklaarde de dagvaarding nietig op grond van de exceptio obscuri libelli en de daarin gestelde vordering onontvankelijk.

 

Arbeidshof te Brussel 5 december 2011


"Het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering.

4. Op grond van artikel 702, 3° Ger. W. moet de dagvaarding op straffe van nietigheid het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten.

Met de woorden korte samenvatting van de middelen wordt geen rechtsregel bedoeld, maar wel de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen (Cass., 24 november 1978, Arr. Cass. 1978-79, 341).

De nietigheid wegens schending van artikel 702, 3° Ger. W. is een relatieve nietigheid, zodat in overeenstemming met artikel 861 Ger. W. moet vaststaan of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

Deze belangenschade wordt afgemeten aan de mogelijkheid van de verweerder om zich te verdedigen op basis van de feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen (S. Gilson, À propos des décisions et citations de l' O.N.S.S.: exceptio obscuri libelli..., Soc. Kron. 2004, 514 en de rechtsleer en rechtspraak aangehaald in de voetnoten 2 tot 5).
De belangenschade kan mogelijk ook zonder voorwerp worden door de overmaking van het dossier ( dezelfde auteur, en de rechtspraak besproken in de voetnoten 6 en 7).

Bij het innen van bijdragen sociale zekerheid wordt doorgaans aangenomen dat de innende instantie in de dagvaarding het globale bedrag van de achterstallen vermeldt, terwijl de precisering van de achterstallen opgegeven wordt in het met de dagvaarding betekende rekeninguittreksel (S. Gilson, aw, Soc. Kron 2004, 514-515).

5. Het met de dagvaarding betekende rekeninguittreksel dient dan wel correct en volledig te zijn, wat in onderhavige zaak niet het geval was.

Immers, het in de dagvaarding van 19 juni 1992 vermelde bedrag betrof 647.201 frank, terwijl de optelling van de achterstallen in het rekeninguittreksel slechts 136.449 frank bedroeg.

De raadsman van de erfgenamen heeft onmiddellijk in zijn schrijven van 22 juni 1992 gemeld dat zijn cliënten de vordering betwisten en dat de cijfers van het rekeninguittreksel niet kloppen. Anders dan Partena voorhoudt, hebben appellanten dus wel degelijk gewezen op het onjuiste rekeninguittreksel, zodat Partena in staat gesteld werd om onmiddellijk de noodzakelijke verduidelijking te geven. Er kan op dit punt geen onbehoorlijke proceshouding aan appellanten worden verweten.

Gedurende meer dan 17 jaar wordt vervolgens het dossier door het sociale verzekeringsfonds onaangeroerd gelaten en het is slechts door de besluiten van de VZW Partena van 19 november 2009 dat het volledige rekeninguittreksel wordt meegedeeld, zodat de erfgenamen dan kennis kunnen nemen van het feit dat het gevorderde bedrag betrekking heeft op achterstallige bijdragen vanaf het eerste kwartaal 1980 in plaats van vanaf het derde kwartaal 1988.

Samen met het Openbaar Ministerie meent het hof dat een dergelijke laattijdige mededeling van de juiste gegevens van de vordering de erfgenamen van de heer F. V. I. alleszins schaadt in hun rechten van verdediging. Zij konden er zich geen rekenschap van geven dat de vordering eigenlijk betrekking had op een veel ruimere periode dan aangegeven was in het onvolledige rekeninguittreksel dat gevoegd was bij de inleidende dagvaarding en het is aannemelijk dat zij eind 2009 nog slechts zeer moeilijk gegevens konden terugvinden over de financiële situatie van wijlen de heer F. V. I. , temeer daar deze periode nog doorkruist werd door het faillissement van de cuius.

Partena ondervond bovendien zelf de moeilijkheid dat na verloop van een lange periode de correcte stukken en informatie niet altijd meer kunnen worden teruggevonden, want ze diende de verjaring te aanvaarden voor de kwartalen 1/1980 tot 4/1985 omdat ze hiervoor de stuitingbewijzen niet meer kon voorleggen. Des te meer zal deze hinder zich opdringen aan erfgenamen, wiens echgenoot/vader failliet verklaard werd.

Hun rechten van verdediging zijn dan ook geschaad; het feit dat de sociale zekerheidswetgeving de openbare orde raakt, doet daaraan geen afbreuk. Appellanten hebben immers het recht om zich ordentelijk te verdedigen tegen de vorderingen van het sociale zekerheidsfonds, dat voorhoudt dat bijdragen niet zijn betaald.

6. Voor de dagvaarding werden de erfgenamen bij aangetekend schrijven van 1 augustus 1991 wel uitgenodigd om elk een derde van de schuld van wijlen de heer F. V. I. t.b.v. 614.194 frank te voldoen, maar ook aan deze ingebrekestelling was geen rekeninguittreksel gehecht.

Op 27 januari 1992 verzond het sociale verzekeringsfonds een ingebrekestelling met het volledige rekeninguittreksel, maar dan naar wijlen de heer F. V. I. , die reeds sedert 28 augustus 1990 overleden was. Deze ingebrekestelling had geen zin meer en diende aan de erfgenamen te zijn gericht, die aan het sociaal verzekeringsfonds bekend waren, zoals blijkt uit de brief van 1 augustus 1991; er is geen enkele zekerheid dat ze de erfgenamen heeft bereikt.

De overige aangebrachte elementen, zoals de verwijzing naar de meldingsplicht van de sociale verzekerde bij wijziging van situatie (Partena kende de erfgenamen op 27 januari 1992) alsook de gegevens over de verjaarde periode, zijn irrelevant en kunnen aan het bovenstaande geen afbreuk doen.

7. Door het onvolledige rekeninguittreksel en de onzekerheid over de juiste kwartalen waarop de vordering betrekking had, wat slechts meer dan 17 jaar na de datum van de dagvaarding door geïntimeerde verduidelijkt werd, werden de belangen van de erfgenamen geschaad om zich behoorlijk te verdedigen op de inhoud van de dagvaarding. 

De dagvaarding is dan ook nietig bij toepassing van artikel 861 Ger. W., zodat de vordering onontvankelijk is.

Het hoger beroep is aldus gegrond."


Rechtspraak

  • De akte van aanhangigmaking moet aangeven welke precieze feiten ten laste worden gelegd zodat de beklaagde zich daartegen kan verdedigen.

    Enkel wanneer op grond van de omschrijving van een bepaald feit in de akte van aanhangigmaking uit het dossier niet op te maken is welk precies feit bedoeld wordt, is het de rechter niet mogelijk te bepalen welk feit bij hem aanhangig is en kan hij de beklaagde niet veroordelen; wanneer de omschrijving van het feit wel is bepaald, maar niet voldoende nauwkeurig is, moet de rechter aan de partijen daarvan kennis geven met het oog op mogelijke precisering.

    18/10/2011 - Hof van Cassatie
  • De inleidende dagvaarding bevat het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen in de zin van artikel 702, 3) van het Gerechtelijk Wetboek wanneer de gedaagde op grond ervan zijn verweer kan opbouwen. Wanneer uit briefwisseling en conclusies blijkt dat de gedaagde voldoende was voorgelicht over het gevorderde, is er geen belangenschade in de zin van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek.

    08/01/1996 - Arbeidsrechtbank Antwerpen
  • De exceptio obscuri libelli kan, ondanks het gebrekkig opstellen van de dagvaarding en herhaalde tegenstrijdigheden, wat de bedragen betreft, niet aanvaard worden, wanneer duidelijk is dat eiser als bediende achterstallig loon en vergoedingen vordert van iemand die hij impliciet als zijn gewezen werkgever beschouwt en wanneer de bedragen later in conclusie gepreciseerd worden.

    06/01/1971 - Arbeidsrechtbank Antwerpen
  • De beklaagden werd valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken ten laste gelegd, waaronder gebruik van rekeninguittreksels, ontvangstbewijzen en kasbons.

    Deze werden echter in de tenlastelegging niet gespecifieerd, evenmin werd er verwezen naar stukken uit het strafdossier waarin de betrokken documenten nominatim vermeld worden, zodat niet met zekerheid kan bepaald worden welke rekeninguittreksels, ontvangstbewijzen en kasbons er precies bedoeld werden.

    De elementen van het strafdossier laten evenmin toe met zekerheid te bepalen welke rekeninguittreksels, ontvangstbewijzen en kasbons er precies bedoeld worden;

    In die omstandigheden is de strafvordering onontvankelijk ingevolge obscuri libelli;

    05/09/2007 - Hof van Beroep Antwerpen