Minutenkrediet



Aflijning minutenkrediet

Een minutenkrediet is een krediet voor een zeer korte termijn.

De constructie wordt opgezet waarbij de oprichter van een vennootschap door een bankinstelling gelden ter beschikking gesteld worden, maar slechts voor zeer korte termijn. Binnen deze termijn wordt een bankattest geredigeerd, dat dienstig voor de oprichting, waarna de gelden terug naar de oorspronkelijke houder ervan getransfereerd worden.

Kortlopende kredieten en in hoofdzaak kredieten waarvan de aanzuivering wordt voorzien reeds daags na hun terbeschikkingstelling, moeten de nodige argwaan opwekken dat een ongeoorloofde operatie voorligt. 

Kwalificatie

Zo bevestigde het Hof van Cassatie bij arrest van 2 oktober 2012, in navolging van de Correctionele Rechtbank en het Hof van Beroep te Antwerpen.

Opdat de volstorting volwaardig zou zijn, is het vereist dat de vennootschap daadwerkelijk beschikking heeft gehad over de gelden. Zoniet is het krediet te kwalificeren als een “non-storting”.

Dit in navolging van het Plumax-arrest (1991), waarbij een ketting van volstortingen werd gebruikt voor de oprichting van verschillende dochterondernemingen, waarbij de inbreng uiteindelijk terug bij de moedervennootschap terecht kwam. Het Hof van Cassatie oordeelde toen reeds dat het geen geldige volstortingen betrof.

De verdediging wierp op dat de gelden weliswaar teruggestort werden, maar daarna in lening aan de zaakvoerder in rekening-courant voor hetzelfde bedrag werden opgenomen. Cassatie volgt niet omdat de beslissingsbevoegdheid voor het terugstorten niet bij het vennootschapsorgaan berustte, maar deze beslissing bij de bankinstelling lag. De vraag spits zich dus eerder toe op het vennootschapsbelang dan op de niet-volstorting.

Is het nu volledig uitgesloten om een inbreng te doen moet ontleende gelden?

Het Hof van Cassatie spreekt zich daar niet over uit. De inbreng moet enkel effectief in het vermogen van vennootschap terechtkomen en daadwerkelijk ter beschikking zijn van de vennootschapsorganen.

Het gepubliceerde arrest is in die zin een anachronisme, dat het in tegenspraak is met tendens tot minder strenge eisen voor bv. de S-BVBA of de vereisten in onze buurlanden bijvoorbeeld in Frankrijk en Nederland waar oprichting met 1 euro kapitaal mogelijk is.

De rechtspraak is echter quasi unaniem, zo bevestigt ook een uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen toevallig op dezelfde datum.

Cass. 2 oktober 2012

Nr. P.12.0279.N

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 januari 2012.

 

II. BESLISSING VAN HET HOF


Beoordeling


Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eisers vrij van de feiten C.I tot en met C.X.
In zoverre tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Middel van de beide eisers

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 193, 194 en 197 Strafwet-boek en de artikelen 19, 224, 449 en 600 Wetboek van Vennootschappen.

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert aan dat het arrest de feitelijke vaststelling inhoudt van de deponering van de ingebrachte gelden op naam van de betrokken vennoot-schappen, van de oprichting van en de kapitaalsverhoging binnen de vennoot-schappen door het verlijden van notariële akten, en van de substitutie van de on-middellijk na de oprichting of kapitaalsverhoging teruggetrokken inbrengen door andere vermogensbestanddelen; aldus wordt in het arrest impliciet maar zeker vastgesteld dat de op de bijzondere rekening gedeponeerde gelden in het vennootschapsvermogen zijn gevallen; het arrest besluit tot het fictieve karakter van de inbreng op basis van de vaststelling dat de ingebrachte vermogensbestanddelen onmiddellijk uit het vennootschapsvermogen werden gehaald, waardoor de vennootschappen nooit vrij hebben kunnen beschikken over de ingebrachte vermogensbestanddelen en deze nooit aan het ondernemingsrisico werden onderworpen; aldus miskent het arrest de realiteit van de uitvoering van de inbrengverbintenis en de waarborgende werking van de voorafgaande deponering op een bijzondere rekening.

4. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het onderdeel weergeeft. Het stelt ook vast dat de eisers nooit de bedoeling hadden de gedeponeerde gelden daadwerke-lijk ter beschikking en controle van de betreffende vennootschappen te stellen (ro 11, p. 21), dat de door de eisers opgezette constructie erin bestaat dat on-middellijk na de volstorting van de geldelijke inbreng, deze geldsom terug uit de vennootschap wordt gehaald en wordt terugbetaald aan de ‘geldschieter' ter te-rugbetaling van een persoonlijke schuld van de oprichter-bestuurder, waardoor de vennootschap geen middelen overhoudt om haar maatschappelijk doel te realiseren, (ro 10, p. 20) door de het arrest een schoolvoorbeeld van het zogenaamde "minutenkrediet" genoemd (ro 13, p. 24), en dat de substitutie van het uit de vennootschap teruggenomen vermogen door de vordering van de vennootschap in rekening-courant op de oprichter-bestuurder voor hetzelfde bedrag in de praktijk oninbaar bleek, zodat de betreffende vennootschappen na hun oprichting zonder liquide middelen zaten en hun werking in het gedrang kwam (ro 9, p. 17).

5. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de valsheid enkel is gestoeld op de vast-stelling dat de ingebrachte vermogensbestanddelen onmiddellijk uit het vennootschapsvermogen werden gehaald, berust op een onvolledige lezing van het arrest, en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert aan dat het arrest uit het beweerde opzet, en met name de wetenschap en de bedoeling de gedeponeerde gelden niet werkelijk en blijvend ter beschikking te stellen van de betreffende vennootschappen, afleidt dat de bankattesten en de notariële akten, die werden opgesteld op basis van de bankattesten, aangetast zijn door intellectuele valsheid, doordat de voorafgaande deponering en de latere daadwerkelijke volstorting niet met de werkelijkheid overeenstemmen; uit de subjectieve ingesteldheid waarmee de eisers de bankattesten en de notariële akten hebben opgesteld of hebben laten opstellen, kan niet zonder miskenning van het constitutief bestanddeel van de waarheidsvermomming worden afgeleid dat de bedoelde geschriften zijn aangetast door een intellectuele valsheid.

7. Het arrest leidt niet alleen de valsheid van de bankattesten en de notariële akten af uit de bedoeling van de eisers de ingebrachte gelden niet werkelijk en blijvend ter beschikking te stellen van de vennootschappen, maar ook uit de vast-stelling dat de ingebrachte vermogensbestanddelen onmiddellijk na de inbreng uit de vennootschap werden gehaald (ro 8), deze werden terugbetaald aan de geld-schieter om een persoonlijke schuld van de oprichter-bestuurder te voldoen (ro 8), en de substitutie van het uit de vennootschap teruggenomen vermogen door de vordering van de vennootschap in rekening-courant op de oprichter-bestuurder voor hetzelfde bedrag in de praktijk oninbaar bleek, zodat de betreffende vennootschappen na hun oprichting zonder liquide middelen zaten en hun werking in het gedrang kwam (ro 9, p. 17).

Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

8. Het onderdeel voert aan dat uit de vaststelling dat de volstorte gelden on-middellijk na de oprichting of de kapitaalsverhoging terug uit de vennootschap werden gehaald, niet kan worden afgeleid dat de bankattesten en de notariële ak-ten, in de mate dat deze op de bankattesten zijn gebaseerd, zouden zijn aangetast door een intellectuele valsheid; uit de bewoordingen van de wet zelf blijkt dat het bankattest strekt tot het bewijs van de deponering van een welbepaald bedrag op een bijzondere rekening op naam van de vennootschap in oprichting; de fase van de deponering van de gelden gaat in de tijd vooraf aan de oprichting en de kapitaalsverhoging, en derhalve ook aan de fase van de al dan niet vrije beschikking en onderwerping aan het ondernemingsrisico van de ingebrachte gelden; de vast-stelling dat de vennootschappen, na de oprichting of de kapitaalsverhoging, nooit vrij hebben kunnen beschikken over de gelden en dat deze nooit aan het ondernemingsrisico zijn onderworpen, laat niet toe te besluiten tot een vermomming van de waarheid in de bankattesten, die enkel strekken tot bewijs van de aan de op-richting of kapitaalsverhoging voorafgaande deponering van gelden op een be-paalde datum op een bepaalde rekening.

9. De rechter oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, op grond van de regel-matig overgelegde feitelijke gegevens die aan tegenspraak zijn onderworpen, of de door de eisers opgezette constructie al dan niet werkelijke inbrengen in geld re-aliseert. Hij is daarbij niet gebonden door de betekenis van begrippen en feiten in van het strafrecht onderscheiden rechtstakken.

10. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest de bepalingen van de artikelen 224, eerste lid, 449, eerste lid en 600 Wetboek van Vennootschappen schendt en in het bijzonder het bewijs door het bankattest van de deponering van de ingebrachte gelden miskent, faalt het naar recht.

11. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare feitelijke beoordeling door de rechter of vereist het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

12. Het onderdeel voert aan dat het arrest, dat vaststelt dat er sprake is van volstorte gelden, niet wettig kon besluiten tot de vermomming van de waarheid in de van valsheid betichte geschriften, die precies strekken tot bewijs van de vooraf-gaande deponering van gelden op een geblokkeerde rekening op naam van de vennootschap in oprichting.

13. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel en mist om dezelfde redenen feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.


Dictum


Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers elk tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 172,43 euro waarvan de eiser I 86,21 euro verschuldigd is en de eiser II 86,22 euro.


Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 2 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky
E. Francis A. Lievens
P. Hoet A. Bloch P. Maffei