Wettige zelfverdediging



Wettige verdediging of noodweer komt tot stand wanneer een persoon, ter verdediging van de lichamelijke integriteit van zichzelf of een ander, een aanval verweert door middel van slagen en verwondingen, zelfs al leiden deze tot doodslag onder bepaalde voorwaarden.

Wettige zelfverdediging is een rechtvaardingsgrond die niet algemeen maar bijzonder is omdat de grond beperkt is tot slagen en verwondingen en doodslag.

Rechtsgrond

Art. 416 Sw. stipuleert:

"Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander."

Toepassingsvoorwaarden

Er zijn veel, vaak strenge, voorwaarden verbonden aan de wettige zelfverdediging. Dit heeft uiteraard een logisch reden: om slagen en verwondingen en zelfs doodslag te rechtvaardigen, moet de toepassing zeer strikt zijn om excessen te vermijden. Het hoeft niet te verwonderen dat ook de rechtspraak de voorwaarden naar de letter interpreteert en slechts zeer uitzonderlijk de wettelijke voorwaarden breed interpreteert. Dit belet niet dat ook de figuur van de wettige zelfverdediging aan maatschappelijke evolutie onderhevig is en dus ook evolueert.

Onrechtmatige aanval

Enkel wanneer de aanval niet gerechtvaardigd is, zal ertegen verweerd kunnen worden. Zo zal iemand die gearresteerd wordt op basis van een rechtmatig aanhoudingsmandaat zich niet kunnen verweren. Of met betrekking tot de aanval een schulduitsluitingsgrond speelt, waardoor de aanvaller niet bestraft kan worden, is niet relevant. Zelfs dan is een beroep op de wettige verdediging mogelijk.

Onafwendbare aanval

De aanval moet nakend zijn, zodat enkel nog een beroep op de wettige verdediging mogelijk is. Hierbij moet de rechter zich verplaatsen in de persoon wie aangevallen wordt.

Ook deze voorwaarde is gebaseerd op de bezorgdheid om een te algemeen voorschrift te creëren. Slechts wanneer geen enkele andere optie mogelijk is, waaronder het ter hulp roepen van de overheid, is een eigen daad te rechtvaardigen.

Aanval tegen personen 

Deze voorwaarde is met verve de meest controversiële en staat onder constante druk van de publieke opinie.

Wettige verdediging is alleen mogelijk voor het afweren van een aanslag tegen de fysieke integriteit van een persoon. 

Fysieke integriteit moet ruim geïnterpreteerd worden, ook een aanslag tegen de vrijheid of eerbaarheid kan resulteren in wettige zelfverdediging.

Het kan ook gaan om de integriteit van een andere persoon. In die zin is het correcter om over wettige verdediging of noodweer te spreken. De verdediging zal immers niet steeds op de eigen persoon betrekking hebben.

Het afweren om bijvoorbeeld de diefstal van goederen te voorkomen is naar Belgisch recht onder geen enkele voorwaarde toegelaten. Zo zal de diamantair die geconfronteerd wordt met een ramkraak geen recht hebben om de dieven onder vuur te nemen wanneer zijn eigen fysieke integriteit of deze van andere personen niet op het spel staat. Om dezelfde reden is het absoluut niet toegelaten, op het vlak van wettige verdediging, om een vluchtende dief neer te schieten.

Proportionaliteit

Wettige verdediging is geen vrijgeleide om excessief geweld toe te passen. Enkel het geweld dat in verhouding staat tot de aanval is gerechtvaardigd. Zouden slagen voldoende zijn geweest om de aanval af te weren, dan is doodslag niet proportioneel en dus niet toegelaten.

Deze voorwaarde is opnieuw moeilijk toepasbaar en zal door de feitenrechter een toetsing van de feiten vereisen. Stelt de feitenrechter vast dat de doodslag in verhouding stond tot de dreiging die de verdediger ervoer, dan zal deze gerechtvaardigd worden indien aan alle overige voorwaarden voldaan is.

Wettelijke vermoedens

Er zijn twee wettelijke vermoedens waarbij de dader van de verdediging automatisch onder de voorwaarden van de wettige verdediging bevindt.

De vermoedens vinden toepassing bij de nachtelijke afwering van inklimming in een bewoond huis en de verdediging tegen diefstal of plundering met geweld.

Deze vermoedens zijn weerlegbaar, hoewel oorspronkelijk de verdediging van diefstal met geweld als onweerlegbaar vermoeden werd ingevoerd.

Bij de twee toepassingsgevallen gaat de wetgever er vanuit dat de toepassingsvoorwaarden voor wettige verdediging vervuld zijn. 

Blijkt achteraf dat dit niet het geval was, wanneer bijvoorbeeld het geweld excessief was, of er geen bedreiging was van de eigen integriteit of deze van derden, zal het beroep op wettelijke verdediging niet aanvaard worden.