Bedrieglijk onvermogen door fictieve verkoop onroerend goed



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Bedrieglijk onvermogen

Uitspraak

Cass. 5 december 2000

Nr. P.99.0189.N.

I. P. S., beklaagde,
eiser tot cassatie van een arrest, op 12 januari 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer,

II. S. D., beklaagde,
eiser tot cassatie van een arrest, op 12 januari 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer,

beiden tegen
SMETS Willy, advocaat, kantoor houdende te Borgerhout, Turnhoutsebaan 90, SAELEN Agnes, advocaat, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210A, en ELANTS Anne-Marie, advocaat, kantoor houdende te Schoten, Sint-Cordulastraat 32, advocaten bij de balie te Antwerpen, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van respectievelijk
1. DIAMOND CITY DEVELOPMENT AND CONSTRUCTION COMPANY (DCDCC), naamloze vennootschap,
2. DIAMOND CITY DEVELOPMENT COMPANY (DCDC), naamloze vennootschap,
burgerlijke partijen,

HET HOF,

Gehoord het verslag van raadsheer Huybrechts en op de conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger;
Gelet op het bestreden arrest, op 12 januari 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;

I. Op de voorziening van S. P. :
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen eiser:
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 490bis van het Strafwetboek, 130, 133, 179, 182, 226 en 231 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat het bestreden arrest het beroepen vonnis bevestigt voor wat de schuldigverklaring betreft van eiser aan de feiten der tenlastelegging AI, hem ook schuldig verklaart aan de andere ten laste gelegde feiten en hem hiervoor veroordeelt tot een gevangenisstraf van één jaar met uitstel, en tot een geldboete van 2.000 frank, gebracht op 300.000 frank na verhoging met opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden; het bestreden arrest het middel van onbevoegdheid van eiser verwerpt op grond van de motieven "dat in de tenlastelegging BII wordt voorzien dat beide beklaagden het onvermogen van de NV P.K.G. hebben bewerkt door de fictieve verkoop op 22 juni 1994 van vermeld onroerend goed aan de vennootschap naar Duits recht Preisler Verwaltungs GmbH en C°, waarvan (eiser) medezaakvoerder is, aan de niet met de reële verkoopwaarde overeenstemmende prijs van 20.000.000 Belgische frank welke daarenboven ingevolge zogenaamde 'schuldcompensatie' niet terecht is gekomen in het vermogen van de NV P.K.G.; dat (eiser) in conclusies opwerpt dat door in de tenlastelegging BII te voorzien dat er verkocht werd aan een niet met de reële verkoopwaarde overeenstemmende prijs, er aan de beklaagden een valsheid in geschriften ten laste wordt gelegd en dat op grond hiervan de feiten der tenlastelegging BII omschreven dienen te worden als een valsheid in geschriften wat tot gevolg heeft dat het hof (van beroep), bij ontstentenis van vooraf door de raadkamer aangenomen verzachtende omstandigheden, niet bevoegd is om te oordelen over de aldus omschreven feiten en deze die er mede samenhangen en bij dezelfde beschikking aanhangig werden gemaakt bij het vonnisgerecht; dat in de tenlastelegging A, die betrekking heeft op valsheden in geschriften waarvoor de raadkamer op regelmatige wijze verzachtende omstandigheden heeft aangenomen, echter verwezen wordt naar de tenlastelegging B voor wat de modaliteiten van deze valsheden betreft; dat het feit van verkocht te hebben aan een te lage prijs dan ook begrepen is in de tenlastelegging A en er dan ook geen reden is om het an
dere feit der tenlastelegging BII te heromschrijven";
terwijl, eerste onderdeel, de beschikking van de raadkamer het aan eiser ten laste gelegde misdrijf van valsheid in geschriften als volgt omschrijft : "Namelijk door valselijk de hierna vermelde notariële akten van hypotheekstelling en verkoop te hebben laten verlijden met betrekking tot het onroerend goed, eigendom van de NV P.K.G., gelegen te Antwerpen, Pelikaanstraat 86, in het appartementsgebouw genaamd 'Achterkant Klein Building', bestaande uit beurslokalen en burelen, ten kadaster gekend Sectie H, nr. 1182 R 18, louter met de bedoeling vermeld onroerend goed te onttrekken aan de verhaalsmogelijkheden van de NV D.C.D.C.C. en de NV D.C.D.C., schuldeisers van de NV P.K.G., zoals nader omschreven onder de tenlastelegging B"; de tenlastelegging van valsheid aldus uitdrukkelijk is gepreciseerd in die zin dat eiser de geviseerde verkoopsovereenkomst zou hebben laten verlijden "louter met de bedoeling vermeld onroerend goed te onttrekken aan de verhaalsmogelijkheden van de NV D.C.D.C.C. en de NV D.C.D.C."; uit deze precisering, en met name uit het woord "onttrekken" is af te leiden dat het feit door de raadkamer beperkt werd tot een feit van beweerde fictieve verkoop m.b.t. het onroerend goed; aldus het feit van valsheid, aanhangig gemaakt door de beschikking tot verwijzing, het verwijt inhoudt dat het onroerend goed, eigendom van de NV P.K.G., niet reëel werd overgedragen aan de Duitse vennootschap Preisler Verwaltung GmbH, doch dat de ganse transactie fictief was, en bedoeld om het goed volledig te onttrekken aan de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers; de appèlrechters ten onrechte in de tenlastelegging, en meer bepaald in de toevoeging "zoals nader omschreven onder de tenlastelegging B" lezen dat verwezen wordt naar de tenlastelegging B voor wat de modaliteiten van de valsheden betreft; de toevoeging "zoals nader omschreven onder de tenlastelegging B" slechts betrekking had op de precisering, in de tenlastelegging B, van de schuld van de NV P.K.G. tegenover de NV D.C.D.C.C. en de NV D.C.D.C., en meer bepaald op de toevoeging "die ingevolge uitvoerbaar bij voorbaat verklaard vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 16 juni 1994 werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 30.000.000 frank aan de NV D.C.D.C.C. en een bedrag van 1.000.000 frank aan de NV D.C.D.C."; de appèlrechters aldus ten onrechte in de tenlastelegging A lezen dat hierin het feit van verkocht te hebben aan een te lage prijs begrepen is; het bestreden arrest, door de tenlastelegging in de verwijzingsbeschikking in deze zin te lezen, derhalve de bewijskracht van voormelde verwijzingsbeslissing miskent en dus de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek schendt; het arrest, door op grond van die verkeerd gelezen tenlastelegging te oordelen dat er geen reden is om het andere feit der tenlastelegging BII te heromschrijven en dus om zich onbevoegd te verklaren wegens de aanhangigmaking van een niet gecorrectionaliseerde misdaad van valsheid in geschriften, tevens schending inhoudt van de artikelen 130, 133, 179, 182 en 231 van het Wetboek van Strafvordering, en van de artikelen 1 en 2 van de Wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden;
en terwijl, tweede onderdeel, het misdrijf van bedrieglijk onvermogen (tenlastelegging B) in de beschikking tot verwijzing door de raadkamer omschreven wordt als "(het onvermogen van de NV P.K.G. (...) te hebben bewerkt (...) (II) op 22 juni 1994, door de fictieve verkoop van vermeld onroerend goed aan de vennootschap naar Duits recht Preisler Verwaltungs GmbH en C°, waarvan tweede verdachte medezaakvoerder is, aan de niet met de reële verkoopswaarde overeenstemmende prijs van 20.000.000 Belgische franken, welke daarenboven ingevolge zogenaamde schuldcompensatie niet terecht is gekomen in het vermogen van de NV P.K.G."; eiser in zijn besluiten hieruit afleidde dat de tenlastelegging het verwijt inmpliceerde dat hij het verkochte onroerend goed zou hebben verkocht, met bedrieglijk opzet, aan een te lage prijs; het arrest uitdrukkelijk stelt dat, vermits in de tenlastelegging A verwezen wordt naar de tenlastelegging B voor wat de modaliteiten van de valsheden betreft, het feit van verkocht te hebben aan een te lage prijs begrepen is in de tenlastelegging A; het arrest dus de vaststelling inhoudt van een minstens gedeeltelijke identiteit van de feiten, voorwerp van de tenlastelegging A, enerzijds, en van de tenlastelegging B, anderzijds; het feit zoals gekwalificeerd onder de tenlastelegging A strafbaar gesteld is met opsluiting, en dus met een zwaardere straf dan het feit, zoals gekwalificeerd onder de tenlastelegging B, waarvoor het maximum van de gevangenisstraf op het ogenblik van de feiten zes maanden bedroeg; de appèlrechters, anderzijds, echter overwegen dat er geen reden is om het "andere" feit der tenlastelegging BII te heromschrijven en aldus oordelen dat het feit van de tenlastelegging BII verschillend is van het feit bedoeld in de tenlastelegging A; het arrest aldus is aangetast door tegenstrijdigheid tussen de motieven onderling, hetgeen een schending uitmaakt van artikel 149 van de Grondwet;
en terwijl, derde onderdeel, minstens uit de motieven niet kan worden afgeleid of het bestreden arrest oordeelt dat het feit, vermeld onder de tenlastelegging BII, een ander feit is dan het feit van de tenlastelegging A, dan wel hierin begrepen is; het arrest, enerzijds, oordeelt dat het feit vermeld onder de tenlastelegging B (mee) geviseerd wordt doorheen de tenlastelegging A en, anderzijds, stelt dat er geen reden is om het "andere feit" van de tenlastelegging BII te heromschrijven; het arrest de beslissing dat de appèlrechters bevoegd zijn om over de aan eiser ten laste gelegde feiten te oordelen niet wettig verantwoordt indien het feit van verkocht te hebben aan een lage prijs een valsheid uitmaakt die een "ander feit" is dat niet begrepen is in de tenlastelegging A; het arrest aldus, ingevolge de dubbelzinnigheid in de motieven, artikel 149 van de Grondwet schendt :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat de bedoeling waarmee men een valsheid in geschrifte pleegt of van een valse akte of een vals stuk gebruik maakt, geen invloed heeft op het voor deze misdrijven vereiste bedrieglijk opzet;
Dat het onderzoeksgerecht wanneer ze een verdachte naar de correctionele rechtbank verwijst wegens een bepaalde valsheid of gebruik, deze verwijzing niet kan beperken tot een bepaalde bedoeling van de dader en de rechtbank dan ook geadieerd is van het feit wat ook de bedoeling van de dader is;
Overwegende dat de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen door in de verwijzingsbeschikking met betrekking tot de telastlegging A te vermelden dat de te laste gelegde valsheden in geschrifte en gebruik werden gepleegd "louter met de bedoeling vermeld onroerend goed te onttrekken aan de verhaalsmogelijkheden van de NV D.C.D.C.C. en de NV D.C.D.C., schuldeisers van de NV P.K.G., zoals nader omschreven onder de telastlegging B", niet aangeeft dat de onder de telastlegging A.I en II vermelde akte van hypotheekstelling en akte van verkoop als fictief worden beschouwd; dat ze integendeel door deze vermelding enkel een verband legt tussen de valsheden en gebruik van de telastlegging A.I en II, en het bedrieglijk onvermogen van de telastlegging B.I en II;
Dat derhalve de appèlrechters door de verwijzingsbeschikking te lezen in de zin dat in de telastlegging A verwezen wordt naar de telastlegging B "voor wat de modaliteiten van deze valsheden betreft" de bewijskracht ervan niet schenden en de beslissing waarbij zij zich bevoegd verklaren om van de feiten van de telastlegging B kennis te nemen naar recht verantwoorden;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede en het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat de verwijzingsbeschikking de telastlegging A niet beperkt tot een fictieve verkoop maar verwijst naar de telastlegging B; dat de telastleggingen A.II en B.II dezelfde akte van verkoop betreffen en de telastlegging B.II vermeldt "aan de niet met de reële verkoopswaarde overeenstemmende prijs van 20.000.000 Bfr"; dat het feit dat de telastlegging B.II viseert, begrepen is in het feit dat de telastlegging A.II viseert;
Dat de onderdelen niet kunnen worden aangenomen;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 41, lid 1, 44, lid 2, en 80, lid 1 en 2 van de Hypotheekwet van 16 december 1851,
doordat het bestreden arrest het bestreden vonnis bevestigt voor wat de schuldigverklaring betreft van eiser aan de feiten der tenlastelegging AI, hem ook schuldig verklaart aan de andere ten laste gelegde feiten en hem hiervoor veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf van één jaar met uitstel, en tot een geldboete van 2.000 frank, gebracht op 300.000 frank na verhoging met opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, o.m. op grond van de motieven "dat op 17 juni 1994, hetzij één dag na de uitspraak van het vonnis van de zevende civiele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, door notaris M. Smets een akte werd verleden waarbij door de NV P.K.G., waarvan de beide beklaagden de zaakvoerders zijn, aan de Berliner Bank een hypotheek werd toegestaan van 50.000.000 frank; dat op 20 juni 1994 een inschrijving werd genomen op het eerste hypotheekkantoor te Antwerpen en dat deze hypotheek op 7 augustus 1995 werd doorgehaald; dat een analyse van voormelde notariële akte de navolgende gegevens oplevert : 1. Voor de NV P.K.G. zijn beide beklaagden verschenen, met dien verstande dat (eiser) zich heeft laten vertegenwoordigen door de heer S., zoon van de beklaagde D. S.; 2. de NV P.K.G. erkent van de Berliner Bank leningen tegen intresten te hebben ontvangen vanaf 3 december 1988 tot en met 3 mei 1994 voor een totaal bedrag van 36.879.033 frank; 3. tot zekerheid van de terugbetaling van voormeld kapitaal en tot zekerheid van alle sommen die de vennootschap P.K.G. zou kunnen verschuldigd zijn aan voormelde Berliner Bank verklaart de NV P.K.G. een hypotheek te verlenen van 50.000.000 frank in het voordeel van de Berliner Bank die aanvaardt; dat de beklaagde D. S. in conclusies voorhoudt dat deze akte geen rechtsgevolgen heeft omdat een hypotheek werd gevestigd zonder dat er tussen de partijen een hoofdcontract tot stand is gekomen; dat dit verweer geen hout snijdt omdat in de notariële akte van 17 juni 1994 de NV P.K.G. uitdrukkelijk erkend heeft van de Berliner Bank leningen te hebben ontvangen voor een totaal bedrag van 36.879.033 frank; dat de toegestane hypotheek van 50.000.000 frank, ingeschreven op het eerste hypotheekkantoor te Antwerpen, dan ook wel degelijk rechtsgevolgen heeft gehad en de burgerlijke partijen heeft geconfronteerd met het feit dat ze hun vorderingen niet meer konden verzilveren; dat de beklaagde D. S. op bladzijde 50 van zijn conclusies, neergelegd voor de eerste rechter, toegeeft dat de notariële akte van 17 juni 1994 vals is omdat er aan de NV P.K.G. nooit gelden werden geleend door de Berliner Bank en dat het Preisler Verwaltungs GmbH en C° is geweest die deze gelden in de loop van de jaren ter beschikking heeft gesteld van de NV P.K.G.; dat de beklaagde D. S., steeds volgens conclusies, bovendien onderstreept dat (eiser) zelf schulden had tegenover de Berliner Bank en dat hij voor deze schulden zoveel mogelijk waarborgen wenste te verstrekken aan die bank; dat de feiten der tenlastelegging AI dan ook bewezen zijn gebleven;
terwijl, eerste onderdeel, medebeklaagde D. S. in zijn conclusies, op p. 64 en 65, stelde dat de hypotheek van 50.000.000 frank in het voordeel van de Berliner Bank geen rechtsgevolgen kon hebben omdat een hypotheek werd gevestigd zonder dat er tussen de partijen een hoofdcontract tot stand was gekomen; de appèlrechters dit argument verwerpen met de overweging dat de toegestane hypotheek van 50.000.000 frank wel degelijk rechtsgevolgen heeft gehad omdat in de notariële akte van 17 juni 1994 de NV P.K.G. uitdrukkelijk erkend heeft van de Berliner Bank leningen te hebben ontvangen voor een totaal bedrag van 36.879.033 frank; de appèlrechters echter, anderzijds, uit de conclusies neergelegd door de medebeklaagde D. S. afleiden dat de notariële akte van 17 juni 1994, voorwerp van de tenlastelegging AI, vals is omdat er aan de NV P.K.G. nooit gelden werden geleend door de Berliner Bank en dat het Preisler Verwaltung GmbH en C° is geweest die deze gelden in de loop van de jaren ter beschikking heeft gesteld van de NV P.K.G.; het arrest, dat, enerzijds, stelt dat de hypotheek wel rechtsgevolgen heeft gehad omdat de NV P.K.G. uitdrukkelijk erkend heeft leningen te hebben ontvangen van de Berliner Bank doch, anderzijds, om de tenlastelegging bewezen te verklaren, uitdrukkelijk overweegt dat er aan de NV P.K.G. nooit gelden werden geleend door de Berliner Bank, is aangetast door tegenstrijdigheid tussen de motieven onderling op strafgebied; de appèlrechters bijgevolg hun beslissing niet regelmatig hebben gemotiveerd (schending van artikel 149 Grondwet);
en terwijl, tweede onderdeel, het arrest in de mate de appèlrechters met de in het eerste onderdeel vermelde overwegingen van oordeel waren dat het volstaat, opdat de hypotheek rechtsgevolgen zou ressorteren, dat partijen hebben erkend dat er een onderliggende leningsovereenkomst bestond, ongeacht of deze erkenning juist of vals is, het accessoir karakter van de hypotheek miskent en derhalve de artikelen 41, lid 1, 44, lid 2, en 80, lid 1 en 2 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, waarin dat accessoir karakter vervat ligt, schendt :

Wat het eerste onderdeel betreft:

Overwegende dat bedrieglijk onvermogen wordt gepleegd door zijn vermogenstoestand zo in te richten dat wat men bezit, feitelijk of juridisch onttrokken wordt aan gedwongen tenuitvoerlegging vanwege zijn schuldeisers;
Overwegende dat de appèlrechters met de in het middel aangehaalde consideransen oordelen dat de akte van hypotheekstelling vermeld onder de telastlegging A.I stoelt op een fictief hoofdcontract, namelijk de leningen die NV P.K.G. heeft ontvangen van de Berliner Bank voor een totaal bedrag van 36.879.033 frank, en door deze akte van hypotheekstelling het onroerend goed juridisch onttrokken werd aan de gedwongen tenuitvoerlegging vanwege de verweerders;
Dat de appèlrechters door deze beslissing het verweer van de beklaagde S. dat erop neerkomt dat de hypotheekstelling geen rechtsgevolg kan hebben omdat ze fictief is, als irrelevant verwerpen, hierdoor zijn conclusie beantwoorden, en de beslissing regelmatig met redenen omkleden en naar recht verantwoorden;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

Wat het tweede onderdeel betreft:

Overwegende dat de appèlrechters niet oordelen over het rechtsgevolg van een fictieve hypotheekstelling zonder hoofdcontract in abstracto, maar over het rechtsgevolg van een fictieve hypotheekstelling in concreto in het kader van het ten laste gelegde bedrieglijk onvermogen;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;

B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders tegen eiser :
Overwegende dat die beslissing geen eindbeslissing is;
Dat de voorziening niet ontvankelijk is;

II. Op de voorziening van D. S. :

A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen eiser :

Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest het bestreden vonnis bevestigt voor wat de schuldigverklaring betreft van eiser aan de feiten der tenlastelegging A.I., hem ook schuldig verklaart aan de andere ten laste gelegde feiten en hem hiervoor veroordeelt tot een gevangenisstraf van één jaar met uitstel, en tot een geldboete van 2.000 frank, gebracht op 300.000 frank na verhoging met opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, het bestreden arrest het middel van nietigheid van de inleidende dagvaarding dd. 22 november 1995 opgeworpen door eiser verwerpt op grond van de volgende motieven :
"Dat het niet wordt betwist dat op het ogenblik van de dagstelling voor de correctionele rechtbank de woonplaats van beide beklaagden nog steeds deze was die vermeld wordt in het inlichtingenbulletin; (...) dat de eerste rechter dan ook terecht heeft beslist dat beide beklaagden op een rechtsgeldige wijze werden gedagvaard en dat het niet relevant is dat zij, volgens de gegevens verstrekt door de burgerlijke partijen, ook nog elders een verblijfplaats hadden";
terwijl, overeenkomstig artikel 40, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de betekening in het buitenland of aan de Procureur des Konings ongedaan is, indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de woonplaats of verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt in België, of in voorkomend geval in het buitenland, kende; eiser in zijn besluiten (p. 34-35) stelde dat de Procureur des Konings te Antwerpen de inleidende dagvaarding dd. 22 november 1995 liet betekenen aan eiser op zijn domicilie te T. (I.) ..., alhoewel eiser zijn feitelijke verblijfplaats gelegen is in B. aan de R. te A.; uit het strafdossier blijkt dat de Procureur des Konings deze verblijfplaats kende, gezien deze in tal van stukken van het strafdossier vermeld wordt (strafdossier stukken 113, 287, 289, 326, 328, 343, 347 en 348); de appèlrechters trouwens uitdrukkelijk vaststellen dat de burgerlijke partijen gegevens verstrekt hebben waaruit blijkt dat beide beklaagden ook nog elders een verblijfplaats hadden; de Procureur des Konings derhalve als verzoekende partij eiser diende te dagvaarden op zijn verblijfplaats te België zodat de inleidende dagvaarding in het buitenland niet rechtsgeldig kan worden gedaan; de appèlrechters ten onrechte eisers middel verwierpen met de overweging dat gedagvaard werd op de woonplaats van beklaagden vermeld in het inlichtingenbulletin en dat het feit dat beklaagden ook nog elders een verblijfplaats hadden niet relevant is; het feit dat de verblijfplaats van eiser gesitueerd is in België terwijl zijn woonplaats in het buitenland gevestigd is, deze verblijfplaats wel degelijk relevant maakt; het arrest dat stelt dat het feit dat beklaagden ook nog elders een verblijfplaats hadden, niet relevant is, artikel 40, lid 4, van het Gerechtelijk Wetboek schendt :
Overwegende dat de beschikking tot verwijzing van het onderzoeksgerecht de zaak bij de strafrechter aanhangig maakt; dat de dagvaarding ter uitvoering van de verwijzingsbeschikking niet meer dan een kennisgeving van de rechtsdag is waarbij de beklaagde op de hoogte wordt gebracht van de plaats, de dag en het uur waarop de zaak zal worden behandeld, ten einde hem in staat te stellen zijn verweer voor te dragen;
Dat het middel dat enkel aanvoert dat de betekening van de dagvaarding niet rechtsgeldig was, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is;

Over het tweede en het derde middel :
Gelet - wat deze middelen betreft - op de namens eiser neergelegde memorie waarvan een door de griffier van het Hof voor eensluidend verklaarde kopie aan dit arrest is gehecht en ervan deel uitmaakt;
Overwegende dat deze middelen nagenoeg identiek zijn aan de namens P. aangevoerde middelen;
Dat ze om de in het antwoord op deze middelen vermelde redenen niet kunnen worden aangenomen;
Over het vierde middel, gesteld als volgt : schending van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 490bis van het Strafwetboek,
doordat het bestreden arrest het bestreden vonnis bevestigt voor wat de schuldigverklaring betreft van eiser aan de feiten der tenlastelegging A.I, hem ook schuldig verklaart aan de andere ten laste gelegde feiten en hem hiervoor veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf van één jaar met uitstel, en tot een geldboete van 2.000 frank, gebracht op 300.000 frank na verhoging met opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, o.m. op grond van de motieven : "dat de beide beklaagden tot op heden niet de schulden hebben betaald waartoe ze bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 16 juni werden veroordeeld; dat wanneer, zoals ten dezen, een partij wordt veroordeeld tot betaling van een geldsom bij vonnis, dat vatbaar is voor hoger beroep maar dat uitvoerbaar is verklaard niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling of kantonnement, is die geldsom op de datum van dat vonnis opeisbaar (Cass. 26 november 1992, Pas. 1992, I, 1350); dat de vaststaande schuld van de NV P.K.G. aan de huidige burgerlijke partijen dan ook opeisbaar was op 16 juni 1994; (...) dat door het niet-honoreren van de schulden en het bedrieglijk bewerken van het onvermogen van de NV P.K.G., de beide beklaagden zich dan ook schuldig hebben gemaakt aan de feiten der tenlasteleggingen BI en BII;
terwijl, overeenkomstig artikel 1495, lid 1, Gerechtelijk Wetboek de tenuitvoerlegging slechts kan nadat de gerechtelijke uitspraak aan de betrokken partij is betekend en, anderzijds, overeenkomstig artikel 490bis Strafwetboek de schuld, waarvoor de schuldenaar zich bedrieglijk onvermogend maakt, zeker, vaststaand en opeisbaar dient te zijn; eiser in zijn besluiten (p. 57-58) stelde dat de schuld van de NV P.K.G., zijnde de veroordeling volgens het vonnis van 16 juni 1994 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, slechts opeisbaar was vanaf de datum van betekening van dit vonnis, zijnde op 23 juni 1994; de twee aangeklaagde aktes van hypotheekstelling en verkoop respectievelijk dateren van 17 juni 1994 en 22 juni 1994, hetzij voor de opeisbaarheid van de schuld op 23 juni 1994; er bijgevolg geen bedrieglijk onvermogen was in hoofde van eiser; de appèlrechters ten onrechte voormeld middel van eiser verwierpen met de overweging dat de schuld van de NV P.K.G. reeds opeisbaar was vanaf de datum van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg, hetzij 16 juni 1994, gezien het vonnis slechts betekend werd op 23 juni 1994 en slechts vanaf dan opeisbaar werd; het arrest dat stelt dat een uitvoerbaar vonnis opeisbaar is op de datum van dit vonnis, en op basis van deze overweging de beklaagden schuldig bevindt aan het bedrieglijke organiseren van hun onvermogen gezien de aangeklaagde daden van beweerd bedrieglijk onvermogen dateren van voor de datum van het vonnis, artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 490bis van de Strafwet schendt :
Overwegende dat het misdrijf van bedrieglijk onvermogen is voltooid wanneer de twee voorwaarden die samen het materieel bestanddeel van het misdrijf vormen, verenigd zijn, namelijk het bewerken van zijn onvermogen door de schuldenaar en het hierdoor niet voldaan hebben aan diens verplichtingen; dat het onverschillig is welke van beide materiële bestanddelen het andere in tijd voorafging;
Dat het middel dat aanvoert dat de schuld van de NV P.K.G. slechts opeisbaar werd op 23 juni 1994 nadat de aangeklaagde akte van hypotheekstelling en akte van verkoop reeds waren verleden en om die reden het bedrieglijk bewerken van eisers onvermogen juridisch onmogelijk is, faalt naar recht;

B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders tegen eiser :
Overwegende dat die beslissing geen eindbeslissing is;
Dat de voorziening niet ontvankelijk is;

OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Aldus door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend uitgesproken.