Bedrijfsrevisor kan als privé expert optreden



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Private expertise

Uitspraak

Cass. 13 januari 2015

Nr. P.14.0564.N

M G J M L,
inverdenkinggestelde,
eiseres,

tegen

VERENIGING VOOR OPENBAAR GROEN vzw, met zetel te 8000 Brugge, Predikherenlei 10,
burgerlijke partij,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 27 februari 2014.
De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.
Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.
Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest oordeelt dat het hoger beroep ontvankelijk is in de mate het is ge-richt tegen de beslissingen over de opgeworpen nietigheid van het verslag van 5 december 2008 van de bedrijfsrevisor en niet ontvankelijk voor het overige. In zoverre het arrest aldus oordeelt dat het hoger beroep tegen de beslissingen over de volledigheid van het gerechtelijk onderzoek en de verwijzing van de eiseres naar de correctionele rechtbank niet ontvankelijk is, bevat het geen eindbeslissing noch een uitspraak als bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
In zoverre ook daartegen gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 130 Wetboek van Strafvordering: het arrest bevestigt de beroepen beschikking; deze verwijst de eiseres naar de correctionele rechtbank, zonder te preciseren welke de territoriaal bevoegde rechtbank is; aldus laten zowel de beschikking als het arrest na te preciseren naar welke correctionele rechtbank de zaak dient te worden verwezen; deze kan zich overigens onbevoegd verklaren.

3. Het middel dat betrekking heeft op een beslissing waartegen het cassatieberoep niet ontvankelijk is en dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 131, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, artikel 4 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor (hierna: Wet Bedrijfsrevisor), artikel 1, § 2, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective (hierna: Detecti-vewet), artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisor (hierna: KB Bedrijfsrevisor) en artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 tot vaststelling van de lijst van beroepen en activiteiten die niet beschouwd mogen worden als bedoeld in de wet tot regeling van het beroep van privé-detective (hierna KB Privé-detective): het arrest wijst de vraag van de eiseres om het verslag van de bedrijfsrevisor in het kader van het fraudeonderzoek van 5 december 2008 en de daaropvolgende dossierstukken nie-tig te verklaren af met het oordeel dat het volstaat de titel van bedrijfsrevisor te dragen om vrijgesteld te worden van het toepassingsgebied van de Detectivewet; de gepleegde opsporingsactiviteit moet deel uitmaken van de activiteiten zoals omschreven in de wet die zijn expertenactiviteit regelt; het arrest gaat niet na of de opdracht die de bedrijfsrevisor uitvoerde en die leidde tot voormeld verslag al dan niet valt onder de activiteiten die in artikel 4 Wet Bedrijfsrevisor en artikel 1, 4°, KB Bedrijfsrevisor worden omschreven.

5. Het arrest oordeelt niet dat het volstaat de titel van bedrijfsrevisor te dragen om vrijgesteld te worden van het toepassingsgebied van de Detectivewet.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

6. Artikel 34 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (hierna wet van 22 april 1999) bepaalt:
"De werkzaamheden van accountant bestaan erin, in privé-ondernemingen, open-bare instellingen of voor rekening van elke belanghebbende persoon of instelling, de volgende opdrachten uit te voeren: (...) 2° zowel privé- als gerechtelijke exper-tise met betrekking tot de boekhoudkundige organisatie van ondernemingen alsook de analyse met boekhoudkundige procédés van de positie en werking van de onderneming vanuit het oogpunt van de kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico's;".

Artikel 37, eerste lid, 1°, van dezelfde wet bepaalt dat enkel de natuurlijke perso-nen en de vennootschappen die zijn ingeschreven op de deellijst van externe accountants gerechtigd zijn onder meer de in artikel 34, 2°, bedoelde werkzaamhe-den uit te voeren of aan te bieden.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat die bepaling niet van toepassing is op de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren.

7. Hieruit volgt dat het de bedrijfsrevisoren toegelaten is private expertises uit te voeren als bedoeld in artikel 34, 2°, van de wet van 22 april 1999 en dat wanneer zij die activiteit uitoefenen, zij handelen als een expert waarvan de toegang tot het beroep door de wet is geregeld als bedoeld bij artikel 1, 1°, KB Bedrijfsrevisor.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Het arrest oordeelt dat het beroep van bedrijfsrevisor zowel wettelijk om-schreven hoofdtaken als louter contractuele taken bevat en dat het uitvoeren van private en gerechtelijke expertises, alsook beperkte adviesverlening ongetwijfeld te aanzien zijn als contractuele taken binnen het kader van het beroep van bedrijfs-revisor. Op grond van die reden is de beslissing dat het optreden van de bedrijfs-revisor buiten het toepassingsveld van artikel 1 Detectivewet valt en overeenkom-stig de wet plaatsvond, naar recht verantwoord.
Gelet op dat oordeel is het arrest niet gehouden na te gaan of het optreden van de bedrijfsrevisor hier valt onder de revisorale opdrachten omschreven in artikel 4 Wet Bedrijfsrevisor en artikel 1, 4°, KB Bedrijfsrevisor.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 131, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Wet Bedrijfsrevisor, artikel 1, § 2, Detectivewet, artikel 1, 4°, KB Bedrijfsrevisor en artikel 1.1° KB Privé-detective: het arrest oordeelt ten onrechte dat de bedrijfsrevisor hier gehandeld heeft binnen het kader van zijn be-roep; sinds de wijziging van artikel 4 Wet Bedrijfsrevisoren bij de wet van 2007 zijn de wettelijke opdrachten van de bedrijfsrevisor op meer strikte wijze omschreven en bevatten zij niet meer de controlewerkzaamheden buiten elk mandaat; wanneer de bedrijfsrevisor een nevenactiviteit uitoefent die op haar beurt het voorwerp uitmaakt van een wettelijke regeling, moet hij die regeling naleven.

10. Uit het antwoord op het tweede middel blijkt dat de bedrijfsrevisor niet alleen gerechtigd is te handelen in het kader van de revisorale opdrachten bepaald bij artikel 4 Wet Bedrijfsrevisoren, maar ook als privé expert zoals bedoeld bij artikel 34, 2°, van de wet van 22 april 1999.

Hieruit volgt dat wanneer een bedrijfsrevisor een private expertise als bedoeld in artikel 34, 2°, van de wet van 22 april 1999 uitvoert, hij overeenkomstig die wet handelt en geen detective-opdracht uitvoert als bedoeld bij artikel 1 Detectivewet.
Het middel faalt naar recht.

Vierde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, ar-tikel 131, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2, § 1, en 19 De-tectivewet, almede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat in de veronderstelling dat het verslag van de bedrijfsrevisor is opgemaakt met schending van de Detectivewet, er geen aanleiding is het verslag als bewijs uit te sluiten; het opstellen van dergelijk verslag is overeenkomstig artikel 19 van die wet een misdrijf; het gebruiken van een met een misdrijf verkregen bewijsmiddel miskent het recht op een eerlijk proces, zodat het overeenkomstig de Antigoontoets dient te worden uitgesloten; het arrest maakt die toets niet en maakt derhalve een onjuiste toepassing van de wet.

12. Het arrest oordeelt dat het verslag van de bedrijfsrevisor niet onregelmatig is daar het optreden van de bedrijfsrevisor hier niet valt onder toepassing van de Detectivewet.

Het middel dat opkomt tegen overtollige redenen, kan niet leiden tot cassatie en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vijfde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, ar-tikel 131, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2, § 1, en 19 De-tectivewet, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest dat oordeelt dat het verslag van de bedrijfsrevisor niet moet worden geweerd, oordeelt dat evenmin de daarop steunende verder bewijsgaring moet worden geweerd.

14. Het middel is geheel afgeleid uit de in het vierde middel vergeefs aange-voerde onwettigheid.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 87,51 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 januari 2015 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.