Dagvaarding geen fout wanneer verzoekschrift ook mogelijk is



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Dagvaarding

Uitspraak

Cass. 7 oktober 2013

Nr. S.11.0108.N

ASNONG bvba, met zetel te 3540 Herk-de-Stad, Steenweg 87,
eiseres,

tegen

A.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, af-deling Hasselt, van 6 april 2011.
Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het arrest oordeelt dat ook uit de bijgebrachte getuigenverklaringen blijkt dat aan de verweerder ontslag werd gegeven op 13 november 2008 omstreeks 15u00 en dat uit het aangetekend schrijven van dezelfde dag blijkt dat dit eerste mondelinge ontslag niet om een dringende reden werd gegeven.

Het diende aldus niet nader te antwoorden op het verweer van de eiseres dat de bevestiging van dit ontslag in de handgeschreven verklaring van haar algemeen directeur van 13 november 2008 door dwang en geweld werd verkregen, dat hierdoor niet meer dienstig was.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

2. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan een partij in beginsel alleen in de kosten worden veroordeeld als zij in het ongelijk is gesteld. De kosten kunnen evenwel ten laste van de niet in het ongelijk gestelde partij worden gelegd als zij ze door haar fout heeft veroorzaakt.

3. Artikel 700, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoofdvorderingen op straffe van nietigheid bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift.

Krachtens artikel 704, § 1, Gerechtelijk Wetboek kunnen de hoofdvorderingen voor de arbeidsrechtbank worden ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak overeenkomstig de artikelen 1034bis tot 1034sexies, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning, de rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift en de procedures die speciaal worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wettelijke bepalingen.

Artikel 704, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in de in artikel 578 opgesomde zaken de werkgever kan worden gedagvaard of opgeroepen bij verzoekschrift op tegenspraak op de mijn, de fabriek, het werkhuis, het magazijn, het kantoor en in het algemeen op de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep door de werknemer of de werkzaamheid van de vennootschap, de vereniging of de groepering. In dit geval mag de dagvaarding of de gerechtsbrief aan een aangestelde van de werkgever of aan een van zijn bedienden worden overhandigd.

4. Uit de in randnummer 3 vermelde bepalingen volgt dat geschillen inzake arbeidsovereenkomsten naar keuze van de eiser kunnen worden ingeleid bij dagvaarding of bij verzoekschrift op tegenspraak.

Hieruit volgt dat het inleiden bij dagvaarding van een dergelijk geschil op zich geen fout uitmaakt.

Opdat het inleiden bij dagvaarding wanneer dit ook bij verzoekschrift op tegenspraak kan geschieden, als een fout kan worden aangezien, is vereist dat een nor-maal voorzichtige persoon, in dezelfde omstandigheden geplaatst, redelijkerwijze anders zou hebben gehandeld.

5. Het middel gaat ervan uit dat het inleiden bij dagvaarding van een vordering die op grond van artikel 704, § 1 en § 3, Gerechtelijk Wetboek ook bij verzoekschrift op tegenspraak kon worden ingeleid, op zich een fout uitmaakt, zodat de partij die de dagvaardingskosten heeft gemaakt, ze dient te dragen, zelfs indien de andere partij in het ongelijk is gesteld.
Het middel dat op een onjuiste rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 201,65 euro en voor de verweerder op 380,89 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

S.11.0083.N


Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden
1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van de 7° kamer van het Arbeidshof te Brussel gewezen op 21 oktober 2010. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.

2. Wat betreft het eerste onderdeel.

In het eerste onderdeel voert eiseres tot cassatie de schending aan van artikel 39 Vakantiebesluit.

De appelrechters zouden artikel 39 Vakantiebesluit, in de toepasselijke versie, schenden door te stellen dat het vierde lid, laatste zinsnede, in die zin dient geïnterpreteerd te worden: "dat de vaststelling van het dubbel vakantiegeld, zoals die gebeurde door het vakantiebesluit, geen afbreuk doet aan gunstiger bepalingen, die in bepaalde sectoren van toepassing zouden zijn en aldus niet tot gevolg kan hebben dat de omvang van het toegekende dubbel vakantiegeld door de nieuwe wettelijke bepaling zou verminderd worden".

Ook zou de overweging van het arbeidshof dat artikel 39, vierde lid, laatste zinsnede als onwettig moeten worden terzijde geschoven omdat de Koning de bevoegdheid die hij door artikel 9, tweede lid van de Vakantiewet heeft gekregen zou hebben gegeven "aan de werkgever zelf" het desbetreffende artikel 39 Vakantiebesluit schenden alsook de artikelen 105, 108 en 159 Grondwet.

De grieven tegen het bestreden arrest, die door de eiseres tot cassatie in het eerste onderdeel worden aangebracht gaan uit van het gegeven dat het arbeidshof oordeelde dat het artikel 39 van het Vakantiebesluit toepasselijk is. Meer in het bijzonder dat er in casu sprake is van de berekening van het vakantiegeld voor de bedienden wier loon geheel of gedeeltelijk veranderlijk is. Evenwel dient te worden opgemerkt dat het arrest niet vaststelt dat de bedienden genieten van een deels veranderlijke verloning. Integendeel, de aandacht moet gevestigd worden op de overwegingen van de appelrechters die aan te treffen zijn in de op pagina 6, laatste paragraaf en pagina 7, tweede paragraaf. Hierin geven de appelrechters te kennen dat er geen sprake is van een veranderlijke verloning daar "de toekenning van zowel de eindejaarspremie, als van de anciënniteitstoeslag, vast stond". Met deze overwegingen geeft het arbeidshof, impliciet, maar ondubbelzinnig aan dat het desbetreffende vakantiegeld zich buiten het toepassingsgebied van artikel 39 Vakantiebesluit situeert.

Deze redengeving van de appelrechters maakt niet het voorwerp uit van enige kritiek van de eiseres tot cassatie. Het middel dat opkomt tegen de overtollige redenen van het arrest kan niet tot cassatie leiden en is derhalve niet ontvankelijk.

3. Wat betreft het tweede onderdeel.

Eerste subonderdeel.

In het eerste subonderdeel bestaat de grief erin dat de appelrechters de bepaling van artikel 9, eerste lid Vakantiewet schenden door aan het tweede lid van hetzelfde artikel in die zin te interpreteren dat het aan de Koning machtigt om de eindejaarspremie en de anciënniteitspremie uit te sluiten uit de berekeningsbasis van het vakantiegeld.
Het artikel 9 Vakantiewet in de toepasselijke versie luidt als volgt:

"Het bedrag van het vakantiegeld van de werknemer wordt vastgesteld op 14 pct. van het loon van het vakantiedienstjaar dat als basis diende voor de berekening van de tot vestiging van dat vakantiegeld verschuldigde bijdragen; dat loon wordt eventueel vermeerderd met een fictief loon voor de inactiviteitsdagen die met werkelijke dagen zijn gelijkgesteld.
Voor de hoofdarbeiders, de zeevarende officieren en daarmee gelijkgestelde personen en voor de jonge werknemers waarvan sprake in artikel 5 mag de Koning in de door Hem bepaalde gevallen en onder de door Hem vastgestelde voorwaarden een andere basis of wijze van berekening voorschrijven dan deze welke bepaald zijn bij het vorig lid...."

De opbouw van het artikel geeft duidelijk aan dat de wetgever, in het tweede lid, aan de Koning de bevoegdheid heeft gegeven om, afwijkend aan wat bepaald is in het eerste lid, een andere berekeningsbasis of wijze van berekening vast te stellen. De formulering van het tweede lid staat de Koning derhalve toe om voor het aspect loon aan te geven wat inbegrepen of uitgesloten moet worden. Het subonderdeel gaat uit van het gegeven dat de Koning gehouden is het beginsel van het eerste lid te respecteren. Deze stelling vindt evenwel geen steun in de desbetreffende bepaling. Het subonderdeel gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt in zoverre naar recht.

In het eerste subonderdeel voert eiseres tot cassatie tevens aan dat het niet in aanmerking nemen van de eindejaarspremie en de anciënniteitspremie, in de basis voor de berekening van het vakantiegeld, een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt.

Met de overwegingen, op bladzijde 8 van het bestreden arrest, geven de appelrechters te kennen dat de bevoegdheid die de wetgever sensu stricto, aan de Koning geeft deze laatste in de mogelijkheid stelt om afwijkende regels vast te stellen doch dit binnen de perken van het Grondwettelijk verankerd gelijkheidsbeginsel.

De opgeworpen schending van het gelijkheidsbeginsel gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat de Koning, door de berekeningsbasis te wijzigen, de omvang van het wettelijk vakantiegeld beperkt.

In zoverre mist het eerste subonderdeel feitelijke grondslag. Er is derhalve geen reden tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
Het tweede subonderdeel.

In het tweede subonderdeel doet eiseres tot cassatie opgave van de overwegingen van het arbeidshof die aan te treffen zijn op de pagina's 8 en 9 van het bestreden arrest. Eiseres tot cassatie meent dat de appelrechters met deze redengeving niet naar recht de ongelijke behandeling tussen bedienden en arbeiders verantwoorden.

In tegenstelling tot wat het subonderdeel voorhoudt, moet worden vastgesteld dat, het arbeidshof, met de in dit subonderdeel aanhaalde redenen de beslissing wel naar recht verantwoorden dat er geen sprake is van een discriminerende behandeling van de bedienden ten aanzien van de arbeiders.

Het subonderdeel kan niet worden aangenomen.

Conclusie: verwerping.