Expertisekosten blijven eigen indien fout werd begaan



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Proceskosten

Uitspraak

Antwerpen 31 maart 2010

In zake: 2008/AR/2727

ATRIUM BVBA, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 75, KBO-nummer 0471.443.361

appellante,

tegen het vonnis gewezen op 26 juni 2008 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen


tegen


1. BOUWWERKEN VERMEIREN BVBA, met maatschappelijke zetel te 2900 SCHOTEN, Deurnevoetweg 2, KBO-nummer 0418.635.271,

geïntimeerde,

2. P.V.S., advocaat, als curator van het faillissement ADEB VERHUUR BVBA, met maatschappelijke zetel te 2920 KALMTHOUT, Brasschaatsesteenweg 131, KBO-nummer 0417.617.959

geïntimeerde,

3. M.V.R., advocaat, als curator van het faillissement ADEB VERHUUR BVBA, met maatschappelijke zetel te 2920 KALMTHOUT, Brasschaatsesteenweg 131, KBO-nummer 0417.617.959

geïntimeerde,

4. L.J., ...

geïntimeerde,

5. S.C., ...

geïntimeerde,

 

***

 

1. Wat voorafgaat

1.1. Op 27.08.2003 gingen L.J. en S.L., thans vierde en vijfde geïntimeerde, over tot dagvaarding van de BVBA ATRIUM, thans appellante, ten einde haar veroordeling te bekomen in betaling van een bedrag van 5.000 euro provisioneel alsmede in aanstelling van een deskundige.

Vierde en vijfde geïntimeerde zijn de eigenaars van de woning te .... en appellante is eigenaar van het ernaast gelegen pand nummer 75, dat door haar werd afgebroken en waar een nieuw gebouw werd opgetrokken.

1.2. Op 17.09.2003 ging appellante op haar beurt over tot dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van:

1. Poponcini en Lootens Ir achitecten BVBA
2. architect L. Michoel BVBA
3. Bouwwerken Vermeiren BVBA, die de ruwbouwwerken uitvoerde, thans eerste geïntimeerde
4. BVBA ADEB VERHUUR, die de afbraakwerken uitvoerde, inmiddels failliet verklaard, waarvoor tweede en derde geïntimeerde als curator optreden.


1.3. Op 24.10.2003 ging de BVBA ADEB VERHUUR over tot dagvaarding van AGB DONCKERS, zijnde haar onderaannemer, die een deel van de afbraakwerken heeft uitgevoerd.

1.4. In het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antrwerpen dd. 08.12.2003 werd de heer Guy DEMOOR aangesteld als deskundige en diens opdracht werd vervolledigd bij vonnis van 28.06.2004.

1.5. Op 06.12.2005 legde deskundige DEMOOR zijn eindverslag neer.

Volgens zijn bevindingen is de schade aan het pand van vierde en vijfde geïntimeerde veroorzaakt door:

- de onzorgvuldige uitvoering van de afbraakwerken door de AGB DONCKERS, waarbij de herstelkosten begroot werden op 1.631,02 euro,
- een uitvoeringsfout aan de gootachterzijde door eerste geïntimeerde of door appellante, begroot op 742 euro,
- foutieve en/of onvoorzichtige uitvoering tijdens de ruwbouwwerken door eerste geïntimeerde, begroot op 910,54 euro,
- trillingen die als foutloos te aanzien zijn en schade hebben toegebracht, begroot op 1.487,84 euro.

1.6. Lopende het geding voor de eerste rechter werd de AGB DONCKERS, die nadien haar naam wijzigde in de BVBA AGB GAGELMANS eveneens in tussenkomst gedagvaard.

De BVBA ADEB VERHUUR werd failliet verklaard en het geding werd voortgezet door de curatoren meester Paul Van Sant en Marc Van Raemdonck, thans tweede en derde geïntimeerde.

1.7. Na neerlegging van het deskundigenverslag van DEMOOR vorderden vierde en vijfde geïntimeerde de aanstelling van een stabiliteitsingenieur. Zij vroegen minstens deskundige DEMOOR te gelasten met een bijkomende opdracht ten einde een doorgedreven onderzoek te verrichten naar de toegepaste funderingstechniek voor de nieuwbouw van appellante.

1.8. In het beroepen vonnis van 26.06.2008 was de eerste rechter niet van oordeel dat een stabiliteitsingenieur moest worden aangesteld of dat deskundige DEMOOR met een bijkomende opdracht moest worden gelast.

De eerste rechter oordeelde dat vierde en vijfde geïntimeerde op grond van artikel 544 BW terecht aanspraken lieten gelden lastens appellante als bouwheer.

Immers het afbreken en het bouwen van een nieuw pand heeft geleid tot hinder aan het pand van vierde en vijfde geïntimeerde, die de maat van gewone buurschapsnadelen overschreed en het bestaande evenwicht tussen de naburige ervan verstoorde.

De tussenvordering die vierde en vijfde geïntimeerde stelden lastens alle in eerste aanleg verwerende partijen werd afgewezen omwille van het feit dat zij op geen enkel ogenblik enige rechtsgrond hebben aangeduid of fout, schade en oorzakelijk verband hebben aangeduid.

De rechtbank achtte de schade die vierde en vijfde geïntimeerde vorderden bovenop de schade aangenomen door de deskundige, ongegrond en niet bewezen, nu zij zich hiervoor enkel steunen op een eigen bewijsstuk, zijnde een eigen raming van 10.03.2002.

De vordering van vierde en vijfde geïntimeerde lastens appellante werd op grond van artikel 544 BW door de eerste rechter gegrond verklaard voor een bedrag van 4.741,40 euro.

Verder was de eerste rechter van oordeel dat appellante terecht eerste geïntimeerde en de BVBA ADEB aansprak in vrijwaring.

De eerste rechter baseerde zich hiervoor op de vaststellingen van deskundige DEMOOR die duidelijk stelde dat beide aannemers bij uitvoering van de hen opgedragen werken contractuele fouten hebben begaan waardoor zij opzichtens appellante contractueel aansprakelijk zijn.

Volgens de eerste rechter diende eerste geïntimeerde appellante te vrijwaren voor een hoofdsom van 1.652,54 euro. De BVBA ADEB VERHUUR moest appellante vrijwaren voor een bedrag van 1.631,02 euro en beide aannemers samen moesten in staan voor de vrijwaring van appellante voor de trillingschade voor een bedrag van 1.457,84 euro.

ADEB VERHUUR moest volgens de eerste rechter opzichtens appellante eveneens in staan voor de fouten van haar onderaannemer de BVBA AGB GAGELMANS, waarbij deze laatste veroordeeld werd tot vrijwaring van ADEB VERHUUR voor een bedrag van 1.631,02 euro.

De tussenvordering van appellante tegen het architectenbureau Poponcini en Michoel werd ongegrond verklaard, nu appellante geen bewijs leverde welke contractuele fouten de architect en de ingenieur zouden begaan hebben.

1.9. Samenvatting van de uitspraak in eerste aanleg

De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering van vierde en vijfde geïntimeerde tegen appellante ontvankelijk en gegrond voor een bedrag van 4.741,40 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten sedert 15 maart 2007.

Hij verklaarde de tussenvordering van vierde en vijfde geïntimeerde tegen de B.V.B.A. Poponcini & Lootens Ir Architecten, B.V.B.A. Ir Architect Michoel, eerste geïntimeerde, tweede en derde geïntimeerde en tegen de BVBA A.G.B. Gagelmans ontvankelijk doch ongegrond.

Hij verklaarde de tussenvordering in vrijwaring van appellante tegen de B.V.B.A. Poponcini & Lootens Ir Architecten en B.V.B.A. Ir Architect Michoel ontvankelijk doch ongegrond.

Hij verklaarde de tussenvordering in vrijwaring van appellante tegen eerste geïntimeerde en tegen tweede en derde geïntimeerde ontvankelijk en in de volgende mate gegrond:

- het vrijwaringsrecht opzichtens eerste geïntimeerde werd beperkt tot een bedrag van 1.652,54 EUR
- opzichtens de curatoren werd het vrijwaringsrecht beperkt tot een bedrag van 1.631,02 EUR
- en opzichtens eerste geïntimeerde en tweede en derde geïntimeerde in solidum tot een bedrag van 1.457,84 EUR
- alle bedragen meer de gerechtelijke intresten sedert 15 maart 2007.

Hij verklaarde de tussenvordering in vrijwaring van de curators tegen B.V.B.A. A.G.B. Gagelmans ontvankelijk en gegrond en beperkte dit vrijwaringsrecht tot een bedrag van 1.631,02 EUR, meer de gerechtelijke intresten sedert 15 maart 2007.

Hij veroordeelde appellante tot betaling van de kosten van het geding aan de zijde van vierde en vijfde geïntimeerde vereffend op de kosten van dagvaarding (219,05 EUR), de expertisekosten (3.990,70 EUR) en een basisrechtsplegingsvergoeding van 650,00 EUR.

Hij veroordeelde appellante tot betaling van de kosten van het geding aan de zijde van B.V.B.A. Poponcini & Lootens Ir Architecten en B.V.B.A. Ir Architect Michoel vereffend op ieder een basisrechtsplegingsvergoeding van 650,00 EUR.

Hij veroordeelde eerste geïntimeerde tot betaling van de kosten van het geding aan de zijde van appellante, op een basisrechtsplegingsvergoeding van 650,00 EUR.

De eerste rechter zegde voor recht dat de curators gehouden zijn de kosten van het geding aan de zijde van appellante te vergoeden, begroot op een basisrechtsplegingsvergoeding van 650,00 EUR.

Hij veroordeelde de B.V.B.A. A.G.B. Gagelmans tot betaling van de kosten van het geding aan de zijde van de curators begroot op een basisrechtsplegingsvergoeding van 400,00 EUR.

De vordering lastens de curators werd verzonden naar de rechtbank van koophandel te Antwerpen voor opname in het passief van het faillissement.


2. De eisen in hoger beroep

2.1. Appellante tekende op 30.10.2008 beperkt hoger beroep aan.

Zij houdt voor dat zij op 07.08.2002 een vertrouwelijk voorstel deed, waarvan het bedrag hoger lag dan het uiteindelijk door de eerste rechter toegekende bedrag.

Volgens appellante was de gerechtsexpertise dan ook volledig nutteloos.

Zij vraagt de vernietiging van het eerste vonnis voor wat betreft de aan vierde en vijfde geïntimeerde toegekende intresten en gerechtskosten.

Minstens stelt zij dat eerste geïntimeerde en tweede en derde geïntimeerde haar moeten vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij wordt veroordeeld, in het bijzonder de gerechtskosten ad 4.859,75 euro.

Zij stelt dat zij weliswaar veroordeeld werd tot het betalen van een schadevergoeding op grond van artikel 544 BW, doch dat de hinder veroorzaakt werd door de uitvoeringsfouten van eerste geïntimeerde en de BVBA ADEB VERHUUR, waardoor de compensatieplicht in hoofde van appellante is ontstaan.

Appellante wijst er op dat de eerste rechter de vrijwaringsvorderingen van appellante wel beperkt toegekend heeft voor wat betreft de schadevergoedingen, doch volgens appellante heeft de eerste rechter deze juridische consequentie niet doorgetrokken wat betreft de gerechtskosten, die meer bedragen dan de uiteindelijk toegekende schadevergoedingen.

2.2. Eerste geïntimeerde vraagt de afwijzing van het beroep, de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellante in betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 euro, nu er sprake is van een tergend en roekeloos hoger beroep.

2.3. Vierde en vijfde geïntimeerde vragen de afwijzing van het hoger beroep, de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellante in betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 650 euro.

2.4. Tweede en derde geïntimeerde vragen bij monde van haar curators de afwijzing van het hoger beroep en de veroordeling van appellante in betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 650 euro.


3. De beoordeling

3.1. De beoordeling van het hoger beroep van appellante

3.1.1. Appellante vraagt in hoofdorde de hervorming van het eerste vonnis voor wat betreft de aan vierde en vijfde geïntimeerde toegekende intresten en gerechtskosten.

Met deze gerechtskosten bedoelt appellante niet alleen de kosten van dagvaarding en de rechtsplegingsvergoeding, doch ook en vooral de expertisekosten ten bedrage van 3.990,70 euro.

Appellante houdt voor dat zij op 22.08.2002 een vertrouwelijk voorstel overmaakte, waaruit blijkt dat zij bereid is tot vergoeding van alle schade en ongemakken, veroorzaakt door de door haar uitgevoerde bouwwerken (stuk 1 appellante).

Zij verwijt vierde en vijfde geïntimeerde dat zij maximaal proberen te profiteren van enkele onnauwkeurigheden door de herstelkosten abnormaal hoog te schatten, alsook dat zij geen eigen expert rechtsbijstand op de expertise op tegenspraak uitgenodigd hebben.

Vierde en vijfde geïntimeerde ontkennen niet dit minnelijk voorstel d.d. 22.08.2002 ontvangen te hebben, en gingen op 27.08.2003 over tot dagvaarding en stellen dat dit hun goed recht is, nu de expertise niet nutteloos was, aangezien op een objectieve en onafhankelijke wijze op tegenspraak kwam vast te staan hoe groot de schade was en wie hiervoor verantwoordelijk was.

Het door appellante geformuleerde minnelijk voorstel bedroeg 5.200 euro, daar waar het totale schadebedrag in het beroepen vonnis begroot werd 4.741,40 euro, overeenkomstig de bevindingen van de gerechtsdeskundige.

De staat van kosten en erelonen van de gerechtsdeskundige bedroeg 3.990,70 euro.

Ook na het neerleggen van het definitieve verslag van de gerechtsexpert begrootten vierde en vijfde geïntimeerde hun schade-eis op 53.144,54 euro.

Appellante leidt hieruit af dat het gevoerde deskundigenonderzoek volstrekt nutteloos was en dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1382 BW voldaan werd, zodat de gerechtskosten ten laste moeten gelegd worden van vierde en vijfde geïntimeerde, zelfs indien deze partijen niet in het ongelijk gesteld werden.

Het staat vast dat de dagvaardingskosten, de rechtsplegingsvergoeding en de expertisekosten, gerechtskosten zijn.

Overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. moeten de gerechtskosten ten laste worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij.

Op grond van artikel 1382 B.W. kunnen nutteloze of tergende kosten ten laste gelegd worden van de partij die ze heeft doen ontstaan, ook al wordt de andere partij in het ongelijk gesteld. De algemene zorgvuldigheidsnorm vereist dat eenieder redelijke maatregelen treft tot beperking van de schade, ook in de civiele rechtspleging.

Het beginsel van de kostenregeling sluit de toepassing van de quasi-delictuele aansprakelijkheid niet uit, zodat het beginsel van artikel 1017 Ger.W. en artikel 1382 B.W. kunnen samenlopen en elkaar kunnen aanvullen.

Dit idee ligt volledig in de lijn van de verplichting voor de partijen om de procedure zo goedkoop mogelijk te voeren, zulks als corollarium van de plicht tot loyauteit tussen de procespartijen.

Artikel 1017, eerste lid Ger.W., voegt aan de bepaling dat de gerechtskosten ten laste moeten worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij toe dat dit geldt tenzij bijzondere wetten anders bepalen.

Het Hof oordeelt dat artikel 1382 B.W. uitdrukkelijk als een bijzondere wettelijke bepaling in de zin van artikel 1017, eerste lid Ger.W. moet worden beschouwd, waardoor de kosten ten laste gelegd kunnen worden van de partij door wiens schuld ze zijn veroorzaakt, ook al is de andere partij in het ongelijk gesteld.

Het Hof is oordeelt dat vierde en vijfde geïntimeerde ten aanzien van appellante een fout begingen door haar minnelijk voorstel ten bedrage van 5.200 euro af te wijzen en over te gaan tot dagvaarding van appellante, waardoor tal van partijen in tussenkomst en vrijwaring dienden te worden geroepen en waarbij een expert werd aangesteld die uiteindelijk de schade begrootte op een bedrag dat lager kwam te liggen dan het door appellante gedane minnelijke voorstel.

De ganse procedure, inclusief het deskundigenonderzoek, had derhalve vermeden kunnen worden, indien vierde en vijfde geïntimeerde de schade realistisch hadden ingeschat of zich op de voorafgaande minnelijke expertise hadden laten bijstaan door een eigen expert, hetgeen niet het geval is geweest.

Vierde en vijfde geïntimeerde kunnen niet gevolgd worden, daar waar zij stellen dat het deskundigenonderzoek zijn nut heeft bewezen, aangezien de diverse verantwoordelijkheden tussen partijen kwamen vast te liggen.

Vierde en vijfde geïntimeerde zijn enkel overgegaan tot dagvaarding van appellante als eigenaar-bouwheer van het naast hun woning gelegen gebouw en in het beroepen vonnis werd appellante als enige veroordeeld tot betaling aan vierde en vijfde geïntimeerde van een bedrag van 4.741,40 euro, zijnde de door de gerechtsdeskundige vastgestelde schade.

Vierde en vijfde geïntimeerde hadden derhalve geen enkel belang in de discussie tussen de overige partijen aangaande de onderscheiden verantwoordelijkheden en de vorderingen inzake vrijwaring.

De gerechtskosten in hoofde van appellante, met inbegrip van de expertisekosten, moeten derhalve ten laste worden gelegd van vierde en vijfde geïntimeerde.

Het hoger beroep van appellante, voor zover gericht tegen het beroepen vonnis, daar waar het oordeelt over de gerechtskosten lastens appellante, is dan ook gegrond.

 

3.1.2. Deze redenering kan niet gevolgd worden voor wat betreft de door de eerste rechter toegekende intresten (door hem gerechtelijke intresten genoemd) vanaf 15.03.2007, zijnde de datum waarop de vordering in conclusies na deskundigenverslag werd ingesteld.

Gerechtelijke intrest verwijst in deze naar de intrest die de rechter toekent vanaf het ogenblik waarop de vordering voor de rechter werd ingesteld, hetgeen door de eerste rechter correct bepaald werd op datum van de eerste conclusies van vierde en vijfde geïntimeerde na eindverslag van de deskundige, zijnde de datum waarop de vordering cijfermatig begroot werd of kon worden begroot.

Nu appellante geen hoger beroep instelt voor wat de hoegrootheid betreft van de aan vierde en vijfde geïntimeerde toegekende schadevergoeding, en nu vaststaat dat deze toegekende vergoeding nog niet betaald werd, is de gerechtelijke intrest derhalve verschuldigd.

Op dit punt dient het hoger beroep te worden afgewezen als ongegrond.

3.1.3. Nu de gerechtskosten in hoofde van vierde en vijfde geïntimeerde, waartoe appellante in eerste aanleg veroordeeld werd, in hoger beroep ten laste worden gelegd van vierde en vijfde geïntimeerde, is het onderdeel van het hoger beroep van appellante waar zij de hervorming vraagt van het eerste vonnis ten einde eerste tot derde geïntimeerde te veroordelen tot vrijwaring voor wat de gerechtskosten betreft, zonder voorwerp.


3.2. De beoordeling van de vordering van eerste geïntimeerde in veroordeling van appellante tot betaling van een maximum rechtsplegingsvergoeding wegens tergend en roekeloos beroep

Uit hetgeen hoger geoordeeld werd, blijkt dat het beroep van appellante voor wat de gerechtskosten betreft, gegrond is.

Als gevolg hiervan kan er in hoofde van appellante in elk geval geen sprake zijn van tergend en roekeloos beroep, zodat de vordering van eerste geïntimeerde ten einde de veroordeling te bekomen van appellante in betaling van de maximum rechtsplegingsvergoeding wegens tergend en roekeloos beroep als ongegrond dient te worden afgewezen.

3.3. Met betrekking tot de gerechtskosten

Als in het ongelijk gestelde partijen moeten geïntimeerden veroordeeld worden tot betaling van de gerechtskosten in hoger beroep.

 

OM DIE REDENEN,


HET HOF,


Recht doende op tegenspraak.


Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935.


Verklaart het hoger beroep van appellante ten aanzien van geïntimeerden ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het beroepen vonnis in de mate waarin het appellante verwees in de gerechtskosten.

Verwijst vierde en vijfde geïntimeerde in de gedingkosten in eerste aanleg aan de zijde van appellante vereffend op de basisrechtsplegingsvergoeding van 650 euro.

Stelt vast dat het onderdeel van het hoger beroep van appellante, waar zij de hervorming vraagt van het beroepen vonnis ten einde eerste tot derde geïntimeerde te veroordelen tot vrijwaring voor wat de gerechtskosten betreft, zonder voorwerp is.

Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.

Verklaart de vordering van eerste geïntimeerde in veroordeling van appellante in betaling van de maximum rechtsplegingsvergoeding wegens tergend en roekeloos beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst geïntimeerden in de gedingkosten in hoger beroep, aan de zijde van appellante begroot op de rolrechten van 186 euro en de basisrechtsplegingsvergoeding van 650 euro.

 

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van
31 maart 2010.

waar aanwezig waren:

F. PEETERS Voorzitter
K. VAN HAELST Raadsheer
D. DEMEESTER Raadsheer
M. GIJSEMANS Griffier