Geen nietigheid dagvaarding bij typfout



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Dagvaarding

Uitspraak

Vredegerecht Roeselare, 23 augustus 2011
Rolnummer.: 10A2415

V O N N I S
Op de openbare terechtzitting van dinsdag, drieëntwintig augustus tweeduizend en elf,
in de gerechtszaal van het Vredegerecht Roeselare, werd door, Jan NOLF , vrederechter
bijgestaan door Sorina SEGERS, griffier, het volgende vonnis uitgesproken :

INZAKE:
M.EX.T. BELGIUM NV, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0449.035.071, met vennootschapszetel te 8800 ROESELARE, Industrieweg 1, 
hebbende als raadsman mr Lodewijk WAES, advocaat te 8000 Brugge, Filips De Goedelaan 10/3,
AANLEGSTER;

TEGEN:
HET WAALSE GEWEST (Waals Ministerie voor Uitrusting en Vervoer), vertegenwoordigd door haar regering, het kabinet van de President van de regering 5100 JAMBES, Rue Mazy 25-27,
hebbende als raadsman mr Denis PHILIPPE, advocaat te 1050 Elsene, Louizalaan 240,
VERWEERSTER;

****
Gezien de dagvaarding van gerechtsdeurwaarder Philippe MASSART te Namur dd.23 november 2010.

Met inachtneming van de beschikkingen van de wet van 15 juni 1935 en de aanvullende wetten op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen.

A. VOORWERP VAN HET GESCHIL .

1. Bij dagvaarding dd.23.11.2010 vordert aanlegster veroordeling van verweerster tot:

- factuur nr.V10004305 dd.18.03.2010: 108,17 euro;
- rente hierop à 12% vanaf 18.03.2010: 9,18 euro;
- schadebeding: 50,00 euro ;
- totaal: 167,35 euro.

2. Ingevolge betaling dd.04.10.2010 € 108,17 euro herleidt aanlegster bij besluiten van 27.04.2011 haar eis tot 167,35 - 108,17 - 25 (herleid schadebeding)= 34,18 euro, meer rente hierop à 12% vanaf 01.12.2010.

Nota van de rechtbank.

Op die manier includeert de herleide vordering nog de rente € 9,18 euro, berekend vanaf 18.03.2010 tot een niet nader bepaald moment omstreeks de dagvaarding.

3. Verweerster betwist de vordering als ontoelaatbaar (wegens nietigheid van de dagvaarding), ondergeschikt ongegrond.
Ondergeschikt wordt de vermindering bepleit van het schadebeding.

B. VOORAFGAANDELIJKE TOETSING .

a. Materiële bevoegdheid .

Het contentieux behoort tot de algemene bevoegdheid van de vrederechter ex
artikel 590, lid 1 Ger.W..

b. Territoriale bevoegdheid .

Deze wordt door verweerster aanvaard.

c. Toelaatbaarheid .

(a) Exceptie verweerster.

(1) De dagvaarding is nietig ex artikel 40 van de wet van 15.06.1935 over het gebruik van de talen in gerechtszaken.

De dagvaarding had inzake de vestiging van verweerster als naam van de stad “Namen” dienen te vermelden in plaats van “Namur”.

Het gaat niet “over buitenlandse benamingen waarvoor niet steeds een vertaling voorhanden is. Wallonië ligt in België en behoort tot het binnenland”.

Er bestaat wel degelijk een Nederlandse vertaling.

De akte dient geheel in de taal van de rechtspleging gesteld te worden, inclusief ex artikel 730, lid 1.2° Ger.W. de woonplaats van partijen.

(2) De omstandigheid dat de dagvaarding verweerster niettemin heeft bereikt, haar deelbetaling heeft uitgevoerd en zich heeft laten vertegenwoordigen belet dit niet, nu het om een absolute nietigheid gaat die ambtshalve moet worden voorgedragen en niet kan getemperd worden door de concepten 'belangenschade' of 'normdoel'. De nietigheid leidt tot de onontvankelijkheid van de vordering.

(b) Repliek aanlegster.

Elke naam moet worden vermeld in zijn oorspronkelijke taal, zijnde de officiële benaming, hetzij in het Nederlands, hetzij in het Frans, tenzij de gemeenten met faciliteiten of deze in het tweetalig landsgedeelte, welke moeten vertaald worden in de taal van de tekst waarin ze zijn vermeld.

Een vertaling in het Nederlands van ééntalige straatnamen is van geen enkele waarde omdat die vertaling adressen doet ontstaan die wettelijk noch reglementair bestaan.

Nota van de rechtbank.

Aanlegster verwijst naar rechtspraak verbatim geciteerd als “Liège, (sic) 31.01.2000, J.L.M.B. 2000, 1162”.


(c) Beoordeling .

(1) De wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt aanzien als “een speciaal regime” (de Leval, 'Eléments de procédure civile', tweede editie, 59, nr.38), hetgeen inhoudt dat artikel 40 ervan zich volledig substitueert aan de theorie van de nietigheden, geregeld door de artikelen 860 tot 867 Ger.W. (ibidem, 71, nr.48 vgl. o.m. ook Vred. Wolvertem 7.3.1996, R.W. 96/97,17). 

De regel dat men “geen vliegtuig neerschiet omwille van een navigatiefout” (DE CORTE in 'Actori incumit probatio'), geldt hier dus niet. Het kan niet ontkend worden dat niet voldaan is aan de voorwaarden tot dekking van de “nietigheid” in de taalwet voorzien.

Er is geen betwisting over dat het in voorkomend geval een absolute nietigheid betreft (Laenens, Broeckx & Scheers, 'Handboek Gerechtelijk Recht', eerste editie, 319, nr.656, noot 1): in deze materie valt dan technisch terecht de term “onverbiddellijk” (zie de bespreking van Cass. 07 06 2007 door E. Breways in De Juristenkrant nr 158, p. 7 onder de enigszins misleidende titel: “Niet moeilijk doen over taal van adres in akte”).

(2) Een akte wordt geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle essentiële vermeldingen, vereist voor de regelmatigheid van de akte, in die taal zijn gesteld (Lindemans, A.P.R. 'Taalgebruik' 50, nr.76) Een overtollige vermelding in een andere taal doet niets af aan de eentaligheid van de akte in de zin van de wet van 15.06.1935, mits die vermelding tevens in de taal van de rechtspleging is weergegeven (Cass. 24.05.1993, A.R. 9574).

(3) Verweerster bekritiseert enkel de benaming “Namur”, daar waar de volledige plaatsbenaming in het origineel van de dagvaarding luidt: “ 5100 Jambes - Namur ” . Dit lijkt wel het spiegelbeeld van een procedure waarbij het Vlaams Gewest “gebelgd” was door de Nederlandstalige vermelding van haar adres in een Franstalige procedure (zie Cass. 21 09 2007 eveneens in voormelde bespreking van E. Breways). Deze rechtspraak is evenwel in casu niet nuttig, vermits de tempering door het Hof van Cassatie toegepast, telkens enkel procedures betrof in gemeenten met een bijzonder taalstatuut (zgn. faciliteitengemeenten, Voeren, Moeskroen) of Brussel-Hoofdstad.

(4) Indien in huidige dagvaarding bij de zetel van verweerster enkel “5100 Namur” vermeld ware, kon inderdaad gesteld worden dat niet de zogenaamd Nederlandstalige versie van de benaming van de kwestieuze stad ware vermeld.

In casu werd echter de volledige benaming gebruikt van de fusie waarbij voor de deelgemeente “ Jambes ” geen zogenaamd Nederlandstalige versie bestaat. Gelet op het koppelteken is het dan ook logisch dat de gerechtsdeurwaarder opteerde voor de volledige en oorspronkelijke Franstalige benaming “Jambes - Namur” waarvoor een gedeeltelijk “vernederlandste” versie “Jambes - Namen” als gekoppelde benaming taalkundig nonsens zou zijn.

Daarenboven stelt de rechtbank vast (zie Google Maps) dat de zetel van verweerster in de Mazystraat zich situeert in de deelgemeente Jambes aan de westelijke oever van de Maas (aan de overzijde van de Citadel van Namen).

Bijgevolg was enkel de vermelding “5100 Jambes” noodzakelijk voor de regelmatige aanwijzing van de betreffende gemeente. De bijkomende vermelding “-Namur” , was dan ook niet noodzakelijk, laat staan essentieel, en geeft dan ook geen aanleiding tot nietigheid. 

De rechtbank aanvaardt de exceptie, zoals door verweerster ontwikkeld, dan ook niet.

(5) De rechtbank dient echter de naleving van de taalwet in gerechtszaken inderdaad ook ambtshalve na te zien, dus buiten ieder bezwaar van enige partij om. Bijgevolg past een nader onderzoek.

(6) Het origineel van de dagvaarding in de Nederlandse taal vermeldt, benevens de benaming “5100 Jambes - Namur”, ook de straatnaam als “ Rue Mazy 25-27 ” .

Evenwel maakt de term “rue” deel uit van de Franstalige straatnaam als dusdanig en dient zij in een geheel gelezen te worden zoals zij administratief bestaat en bekend is in dit eentalig Franstalige landsgedeelte. Een “Mazystraat” zou niet zozeer een vertaling betreffen, doch een onbestaand adres.

De vergelijking kan illustratief gemaakt worden met zogenaamd vertaalbare voornamen: een inwoner van 'Namur' met de voornaam “Jean”, kan moeilijk verlangen dat hij in de Nederlandstalige rechtspleging als “Jan” gedagvaard zou worden. De vermelding van dit adres “as such” is dus geen bezwaar.

(7) Tot slot merkt de rechtbank op dat in het origineel van de betreffende dagvaarding de instrumenterende gerechtsdeurwaarder zijn 'verblijfplaats' vermeld heeft als “te Namur, 13 avenue de Stassar t” .

Overeenkomstig artikel 43.5 vermeldt een exploot van betekening, op straffe van nietigheid, “de naam en de voornaam van de gerechtsdeurwaarder en het adres van zijn kantoor”. Hier gaat het wel om het postnummer 5000, en bijgevolg komt het bezwaar inzake de vermelding van 'Namur' in plaats van 'Namen', door verweerster hoger al aangehaald, aldus opnieuw aan de orde.

Het moet vooreerst erkend dat de stad Namur in de Nederlandstalige versie van haar officiële web site www.namur.be inderdaad ook zelf de benaming 'Namen' aanwendt - zie weliswaar op de balk van deze openingspagina de pijnlijke zetduivel “Namen hoofstad” (sic).

Historisch werd de stadstitel weliswaar niet aan 'Namen' verleend, maar aan 'Namur': dit geschiedde laatst (opnieuw) onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bij K.B. van Willem I op 30 05 1825. De term (eerder dan 'naam') 'Namen' betreft een 'exoniem', name-lijk een topografische naam in een andere taal dan de plaatselijke taal, terwijl 'Namur' het endoniem betreft, met name …. de oorspronkelijke naam.

Geen haan kraait er over dat o.a. 'Charleroi' en 'Neufchateau' in het Vlaamse landsgedeelte niet “vertaald” worden naar enig exoniem. Ook geen leeuw die erover brult. Nochtans zijn 'Karelrooi' en 'Nieuwkasteel' als “vernederlandste versie” eigenlijk niet ondenkbaar: 'Jezus-Eik' en 'Notre-Dame-au-Bois' liggen taalkundig verder van elkaar. Exoniemen lijken aldus culturele, eerder dan linguistische relicten, die voor nietingewijden vocabulaire wissels vergen volgens een Absurdistaanse willekeur en onvoorspelbaarheid. Anders dan in Nederland (voor het Fries, in Fryslin) bestaat in België immers geen officiële lijst van “meertalige” stadsnamen toepasselijk voor de administratie,laat staan justitie, terwijl voor endoniemen en exoniemen evenmin enige bindende richtlijn voorhanden is van de Taalunie. Er bestaan hoogstens pogingen tot het creëren van culturele “erfgoedstandaarden”. Er lijkt ondertussen in de verkeersrealiteit slechts een twijfelachtige informatieve of taalkundige meerwaarde aan een wegwijzer naar 'Namen' verbonden, voor de reiziger die in ieder geval ter plaatse bij aankomst tot zijn verwondering of opluchting slechts het kombord 'Namur' zal ontwaren.

Onze vele Zuiderburen die zich onder het bord 'Rijsel' te pletter zoeken naar hun 'Lille' kunnen van deze typisch Belgische ervaring meespreken. Onafgezien voorgaande vaststelling dat 'Namen' niet zozeer de Nederlandse “vertaling” betreft van 'Namur', maar een louter exoniem ervan, zou het echter ook haaks op het gelijkheidsbeginsel staan dat inwoners - of diensten, zoals in casu - een aanspraak zouden kunnen maken op een exoniem als oneigenlijke vertaling van hun authentieke stadsnaam, indien dergelijke terminologie niet voor iedere stad (of gemeente) voorhanden is, en geen wettelijk bepaald of verplicht wisselvocabularium voorhanden (alvast niet als het ééntalige gemeenten betreft). Dergelijke aanspraak voor de ene, een verplichting voor de andere, zou daarenboven in de richting gaan van - horresco referens - een virtuele “tweetaligheid” die administratief alleszins te 'Namur' niet bestaat (evenmin als bijvoorbeeld te 'Gent').

Bijgevolg besluit de rechtbank dat de vermelding 'Namur' in het adres van de gerechtsdeurwaarder, zoals (ook) vermeld in het Nederlandstalig exploot, geen exoniem behoeft, en de eigenlijke stadsnaam terecht behouden bleef. Er is dus evenmin op dit punt nietigheid voorhanden.

(8) Weliswaar stelt de rechtbank wel vast dat het Waalse Gewest, en in het bijzonder het door aanlegster bedoelde Waalse Ministerie voor Uitrusting en Vervoer, gevestigd is te 5000 Namur, Boulevard du Nord 8 (zie bijlage gehecht aan de K.B.O. - gegevens 0344.890.428, gehecht aan de inleidende dagvaarding), doch de regelmatigheid van de dagvaarding, ten titel van “vertegenwoordiging” via haar regering, en in het bijzonder “het kabinet van de president van de regering” op het sub (3) besproken adres te 5100 Jambes, wordt door verweerster niet betwist. Minstens is er op dat punt van de vertegenwoordiging geen belangenschade en werd het normdoel bereikt (minstens artikel 867 Ger.W.).

(9) Wat verweerster weliswaar evenmin excipiëert is dat het origineel van de dagvaarding in de Nederlandse taal letterljk een dagvaarding vermeldt aan “het Waalse Geweest (Waals Ministerie voor Uitrusting en Vervoer), vertegenwoordigd dood haar regering, het kabinet van de president van de regering, rue Mazy 25-27 te 5100 Jambes - Namur”. Voor alle duidelijkheid: het gaat om de termen 'Gewest' en 'door' die geruild werden voor een luguber 'Geweest' en 'dood''. Taal- of typfouten geven geen aanleiding tot nietigheden: “felix peccator” (vgl.Vred. Roeselare 29.10.1998, A.R. 96A35318, niet gepubliceerd). Voor de consequentie, aan deze zetduivels verbonden, verwijst de rechtbank naar het hoofdstuk kosten.

(10) De dagvaarding is bijgevolg niet door nietigheid aangetast.

(11) Aanlegster beschikt voor het overige in de termen der artikelen 17 & 18 Ger.W. over hoedanigheid en belang om de vordering te stellen, die bij deze toelaatbaar wordt verklaard.

C. CHRONOLOGISCHE SAMENVATTING VAN FEITELIJKE & CONTRACTUELE GEGEVENS.
1. 16.03.2010 : bevestiging van de bestelling.
2. 18.03.2010 : litigieuze factuur voor een hoofdsom van 108,17 euro.
3. 26.04.2010 : herinnering aanlegster.
4. 19.05.2010 : aangetekende herinnering aanlegster.
5. 07.06.2010 : aangetekende herinnering aanlegster, meer aanrekening van 50 euro verhogingsbeding en conventionele rente.
6. 29.09.2010 : aanmaning raadsman aanlegster met aanrekening van verhogingsbeding en rente.
7. 04.10.2010 : betaling door verweerster van een bedrag gelijk aan het factuurbedrag van 108,17 euro.
8. 23.11.2010 : litigieuze dagvaarding.

D. TOELICHTING VAN PARTIJEN TEN GRONDE .

a. Verweer .

1. De rente wordt door aanlegster gerekend vanaf 18.03.2010, daar waar de vervaldatum van de factuur slechts 17.04.2010 betreft.

2. Het schadebeding is kennelijk overdreven, nu er slechts 5 maanden te laat betaald werd.

b. Repliek aanlegster .

1. Verweerster had op datum van de dagvaarding haar schuld niet integraal voldaan, gezien de betaling conform artikel 1254 B.W. in mindering wordt gebracht op de totale schuld.

2. Het schadebeding wordt herleid tot 25 euro.

E. BEOORDELING TEN GRONDE .

a. Nopens de rente .

1. De factuurvoorwaarden, ook in de Franse taal aan verweerster ter kennis gebracht ten tijde van de bevestiging van de bestelling, voorzien de verwijlrente aan de conventionele rentevoet van 12% vanaf de vervaldatum.

Ten onrechte wordt de rente aldus in de inleidende dagvaarding gerekend vanaf de factuurdatum van 18.03.2010.

2. Anderzijds wordt ex artikel 1254 B.W. de betaling eerst toegerekend op de aldus gelopen rente, zodat het saldo rente blijft opbrengen.

3. Tot slot mag opgemerkt worden dat de rentevoet niet dient getoetst aan de gebruikelijke commerciële rentevoeten, doch deze toepasselijk van niet-toegelaten debetstanden: de leverancier is niet de bankier van zijn klant, laat staan - horresco referens - als deze de overheid zelf betreft. De eis wordt dan ook op dat punt ingewilligd zoals hierna bepaald.

b. Inzake het schadebeding .

Het schadebeding was in dezelfde factuurvoorwaarden voorzien bij gebreke van betaling op de vervaldag, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, welke niettemin herhaaldelijk geschiedde. Het schadebeding, minstens zoals herleid, stemt overeen met de vergoeding voor reële schade zoals voorzienbaar ten tijde van de initiële contractsluiting voor het gebeurlijke geval van wanbetaling.

Het herleide schadebeding  € 25 euro wordt bijgevolg ingewilligd, meer gerechtelijke rente daarop.

F. KOSTEN .

a. Dagvaardingskosten .

1. Zoals in fine sub B.c. (c)(8) aangestipt, vermeldt het origineel van de dagvaarding in het Nederlands “Het Waalse Geweest (...), vertegenwoordigd dood haar regering (...)”.

Een en ander betreft een onaanvaardbaar amalgaam van zetduivels in een luguber vocabulair samenspel: indien “dood haar regering” wel uit de context zou gerukt worden als een oproep tot misdaad, is een “dode regering” er in ieder geval “geweest”.

Waar de dagvaarding initieel betekend werd door een gerechtsdeurwaarder met standplaats te “Namur” blijkt de kost van vertaling  € 23,92 euro, er wezenlijk eentje voor de vertaling van het Frans naar het Nederlands (en niet van het Nederlands naar het Frans) te betreffen. 

Gelet op de dubbele miskleun laat de rechtbank dit onderdeel van de dagvaardingskosten ten laste van aanlegster.

2. Verweerster wordt veroordeeld tot de kosten van rolrecht  € 25 euro, gezien deze ook verschuldigd zouden geweest zijn bij een dagvaarding enkel voor rente en het schadebeding.

3. Aanlegster betreft ook de deels in het ongelijk gestelde partij betreft, gezien zij ten onrechte nog gedagvaard heeft voor het factuurbedrag, niettegenstaande de betaling van een bedrag gelijk daaraan reeds meer dan een maand voor de betekening.

Evenwel zouden de dagvaardingskosten even hoog geweest zijn, indien slechts voor het per saldo verschuldigde verhogingsbeding alleen gedagvaard ware: de vergissing van aanlegster heeft dus geen mathematisch gevolg voor de kosten. Daarom worden worden de overige dagvaardingskosten  € (116,46  - 23,92 =) 92,54 euro volledig lastens verweerster gelegd.

b. Rechtsplegingsvergoeding.

Er is aan de zijde van verweerster geen (ondergeschikte) vraag tot vermindering voorhanden.

Aanlegster betreft deels de in het ongelijk gestelde partij voor om en bij de helft van de invordering, nu zij ten onrechte de factuur van 18.03.2010 nog in de gerechtelijke invordering betrok. Evenwel geldt ook voor de rechtsplegingsvergoeding dat de eerste schaal ook 10A2415 Rep. nr. / 11 bereikt gebleven zou zijn indien enkel voor het verhogingsbeding gedagvaard ware.

Daarenboven heeft verweerster spijkers op laag water gezocht in de taalkwestie. Een efficiënte rechtsbedeling is niet gebaat met een Calimero-cultuur: immers zit “een kleine helft van ons juridisch personeel geblokkeerd met niet-betwiste schuldvorderingen” (B. Schoenaerts, Een Kafkaiaanse nachtmerrie, p.271). Overheidsdiensten (zoals verweerster) hebben terzake een voorbeeldfunctie, ook tegenover Justitie: “Hier functioneert dus een overheidsdienst, waarvan de gebruikers principieel verplicht zijn op een zuinige wijze gebruik te maken. Ook daaruit kan lering gehaald worden voor het omgaan van de burger met overheidslichamen (onderwijs, gezondheidszorg, vervoer en verkeer)” (Storme, 'Metabletica van het procesrecht - Afscheidscollege', p.6, nr.3).

Bijgevolg wordt verweerster veroordeeld tot de basis rechtsplegingsvergoeding weze 165 euro.

OM DEZE REDENEN:
de vrederechter, rechtdoende op TEGENSPRAAK.

Veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen de hoofdsom van vijfentwintig euro meer verwijlrente aan de conventionele rentevoet van 12% :
 € op 108,17 euro vanaf 18.04.2010 tot en met 04.10.2010;
 € op 25,00 euro vanaf 05.10.2010f
 € de gerechtelijke rente aan dezelfde rentevoet op 25,00 euro;

Veroordeelt gedaagde partij tot de dagvaardingskosten  € 92,94 euro, wijl het overige aan aanlegster eigen blijft.

Veroordeelt gedaagde partij tot de rechtsplegingsvergoeding aan het basisbedrag € 165
euro 

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van kantonnement.

De griffier, De vrederechter,

SORINA SEGERS JAN NOLF