Geen nietigheid indien pro justitie met verkeerde zaak



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Dagvaarding

Uitspraak

Cass. 13 januari 2015

Nr. P.13.0830.N

1. L M C V E,
beklaagde,

2. M A L,
beklaagde,
eisers,

tegen

GEMACHTIGDE AMBTENAAR bevoegd op grond van artikel 15 Monumentendecreet, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19 bus 22,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 maart 2013, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 22 mei 2012.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 182 en 205 Wetboek van Strafvordering: het arrest weigert ten onrechte vast te stellen dat de initiële dag-stelling van 28 januari 2010 voor het hof van beroep te Antwerpen niet rechtsgeldig was en de zaak bijgevolg dan ook geen voortgang kon vinden; er ligt geen bewijs voor van een betekening van de als dagstelling geldende dagvaarding aan de eisers met betrekking tot hun zaak; de betekende dagvaarding had immers betrekking op een andere zaak, zodat het hof van beroep te Antwerpen niet vermocht de zaak in afwezigheid van de eisers te behandelen: het oordeel dat na het cassatiearrest van 22 mei 2012 de dagstelling voor het hof van beroep te Gent in elk geval geldig was, kan geen afbreuk doen aan de beoordeling van de geldigheid van de initiële dagstelling.

2. Artikel 205 Wetboek van Strafvordering regelt het instellen van hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht door middel van een aan de beklaagde te betekenen dagvaarding.

Deze bepaling is vreemd aan de betekening van de als dagstelling geldende dagvaarding ingeval hoger beroep werd ingesteld door het afleggen van een verklaring ter griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen.

In zoverre faalt het middel naar recht.

3. In strafzaken wordt de inhoudelijke geldigheid van de dagvaarding gere-geld door de artikelen 145, 182, 184 en 211 Wetboek van Strafvordering, die geen nietigheidssanctie inhouden. Een dagvaarding kan in strafzaken slechts nietig worden verklaard wanneer een wezenlijk bestanddeel van de akte ontbreekt of wanneer vaststaat dat het recht van verdediging door die onregelmatigheid is miskend.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Het arrest (p. 10-12, ro 3.1) oordeelt dat:

- de gerechtsdeurwaarder op verzoek van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen op 29 december 2009 de eisers, met vermelding van het correcte adres, heeft gedagvaard om te verschijnen op 28 januari 2010 voor het hof van beroep te Antwerpen, met vermelding van het juiste adres, lokaal en uur;

- aan deze akte een "pro justitia" was gehecht strekkende tot dagstelling van een andere zaak van andere personen voor een andere kamer van het hof van beroep te Antwerpen;

- de bij de akte van dagvaarding gevoegde "pro justitia" duidelijk een vergissing betrof;

- de dagvaarding als dagstelling gold;

- de raadsman van de eisers aan de procureur-generaal te Antwerpen bij brief van 25 januari 2010 liet weten dat zij een kennisgeving hadden ontvangen dat hun zaak zou worden opgeroepen voor dat hof van beroep, twaalfde kamer, op 28 januari 2010 om 11.00 uur, maar dat de laatste bladzijde van de hen op 29 december 2009 bezorgde dagvaarding een andere datum vermeldde en vermoedelijk betrekking had op een andere persoon;

- de raadsman in die brief niet voorhoudt dat de dagvaarding ongeldig zou zijn;

- de raadsman met die brief om een uitstel van behandeling van de zaak verzocht op grond van twee redenen, doch niet op grond van het feit dat de procedure voor het appelgerecht ongeldig zou zijn opgestart;

- op de rechtszitting voor het hof van beroep te Antwerpen van 28 januari 2010 de eisers, vertegenwoordigd door hun raadsman, zijn verschenen, maar verstek lieten na de weigering de zaak uit te stellen;

- de dagstelling voor de rechtszitting van 28 januari 2010 haar doel duidelijk heeft bereikt, aangezien de eisers zoals blijkt uit de brief van hun raadsman van 25 januari 2010, wisten dat zij dan dienden te verschijnen en zij op die rechts-zitting werden vertegenwoordigd door hun raadsman alvorens verstek te laten.

Op die gronden kan het arrest oordelen dat het recht van verdediging van de eisers niet is aangetast door de vergissing bij de dagstelling voor de rechtszitting van 28 januari 2010 voor het hof van beroep te Antwerpen en de zaak voortgang kan vinden, en is die beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is over-schreden, noch onder het burgerlijk luik van artikel 6.1 EVRM noch onder het strafrechtelijk luik van die bepaling; aangezien de gemachtigde ambtenaar negen jaar heeft gewacht met het indienen van zijn herstelvordering is de redelijke termijn overschreden; het arrest stelt immers vast dat de herstelvordering slechts werd aanhangig gemaakt op 2 juni 2009, terwijl de administratie Onroerend Erf-goed reeds op 18 oktober 2000 een ingebrekestelling heeft geformuleerd; het arrest oordeelt weliswaar dat er sinds 2 juni 2009 geen periodes zijn van niet-verantwoorde inactiviteit, maar beantwoordt daarmee niet het verweer van de eisers dat er meer dan twaalf jaar zijn verstreken sinds de vaststellingen en de ingebrekestellingen wegens verwaarlozing door de afdeling Onroerend Erfgoed op 18 oktober 2000; het gedogen gedurende jaren houdt een miskenning in van het rechtszekerheidsbeginsel; de verweerder had tegen de eisers een civiele herstelprocedure kunnen voeren; het arrest beantwoordt evenmin het verweer van de eisers op dit punt.

6. In strafzaken begint de periode voor de berekening van de redelijke termijn te lopen vanaf het moment dat een persoon het voorwerp uitmaakt van een vervolging, dit is vanaf het ogenblik dat hij is in verdenking gesteld of wegens enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging.

Ingebrekestellingen door bestuurlijke overheden wegens de niet-naleving van zelfs strafrechtelijk gesanctioneerde bestuurlijke voorschriften vormen als dusdanig geen daden waardoor de in gebreke gestelde persoon onder de dreiging van een strafvervolging leeft en de redelijke termijn een aanvang neemt.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. In burgerlijke zaken neemt de periode voor de berekening van de redelijke termijn in de regel een aanvang op het ogenblik dat het geschil bij het rechtscollege wordt aanhangig gemaakt.

Ingebrekestellingen door bestuurlijke overheden wegens de niet-naleving van bestuurlijke voorschriften doen de redelijke termijn in burgerlijke zaken niet aanvangen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn is nageleefd, rekening houdende met de omstandigheden van de zaak, meer bepaald de complexiteit ervan, het gedrag van de partijen en de houding van de gerechtelijke instanties.

In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

9. Het arrest (p. 15, ro 8.1 en p. 18-19, ro 8.9) oordeelt dat:
- het feit dat de verweerder pas op 3 februari 2009 een herstelvordering aan het parket meedeelde, nadat de eisers voordien al herhaaldelijk in gebreke werden gesteld noch de niet-ontvankelijkheid noch de ongegrondheid van de herstel-vordering meebrengt;
- de eisers ten onrechte van oordeel zijn dat de verweerder tegen hen niets heeft ondernomen en op grond van de miskenning van beginselen van behoorlijk be-stuur geen herstel meer zou kunnen worden gevraagd;
- de herhaalde ingebrekestellingen, namelijk respectievelijk van 18 oktober 2000 (Onroerend Erfgoed), 3 september 2000 (gemeentebestuur Tessenderlo), 9 au-gustus 2004 (gemeentebestuur Tessenderlo) en 13 april 2007 (Onroerend Erf-goed), precies aantonen dat de overheid, anders dan door de eisers wordt voor-gehouden, de situatie niet jarenlang heeft gedoogd, dat er geen sprake is van een passiviteit en dat indien zulks het geval was, deze passiviteit geen recht-vaardiging kon vormen voor de eigen passiviteit van de eisers;
- op 5 november 2008 een uitgebreid proces-verbaal werd opgesteld;
- aangezien de eisers daaraan geen enkel concreet gevolg gaven, de verweerder op 5 februari 2009 een herstelvordering heeft ingesteld;
- deze herstelvordering werd ingeleid toen volstrekt duidelijk was dat de eisers geen enkel gevolg zouden geven aan de herhaalde aanmaningen om zich vrij-willig in regel te stellen;
- de houding van de overheid in de concrete omstandigheden van de zaak niet tot gevolg heeft dat er voor de herstelvordering sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn;
- ook bij de behandeling van de herstelvordering voor de rechter geen niet-verantwoorde periodes van inactiviteit zijn vast te stellen, zodat ook in deze fa-se geen overschrijding van de herstelvordering is vast te stellen.

Met die redenen beantwoordt het arrest het in het middel vermelde verweer en verantwoordt het de beslissing over de niet-overschrijding van de redelijke termijn naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 15, § 1, Monumentendecreet: het arrest beveelt een herstelmaatregel die strekt tot de ganse restauratie van het pand, aan de verweerder als het ware carte blanche geeft en die veel verder gaat dan het herstel in de oorspronkelijke toestand; de verweerder be-wijst niet welke de oorspronkelijke toestand was op 17 november 2004 en het her-stel in de oorspronkelijke toestand is verder een onmogelijke zaak daar niet geweten is welke die staat is gelet op het eeuwenoude karakter van de gebouwen; het arrest oordeelt dat het pand zich reeds vóór 17 november 2004 in een erbarmelijke toestand bevond en dat de verweerder niet moet aantonen in welke staat het pand zich bevond op de dag voorafgaand aan de ten laste gelegde periode; nochtans kan het arrest enkel een herstel bevelen voor de schade die verband houdt met de incriminatieperiode, dit is vanaf 17 november 2004 tot 5 februari 2009; door een herstel te bevelen dat niet is beperkt tot de incriminatieperiode miskent het arrest de motiveringsverplichting; bovendien wordt zo een straf opgelegd voor feiten die vallen buiten de incriminatieperiode en wordt het legaliteitsbeginsel miskend.

11. Artikel 15, § 1, Monumentendecreet bepaalt dat de rechtbank onverminderd de straf en de eventuele schadeloosstelling, op vordering van de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren, beveelt de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen.

12. De aldus bevolen herstelmaatregel is geen straf volgens het interne recht.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Artikel 15, § 1, Monumentendecreet beoogt de schadelijke gevolgen van de bij artikel 13 van het decreet bepaalde misdrijven te doen ophouden. De herstel-plicht blijft bestaan wanneer de gevolgen mede werden veroorzaakt door andere feiten, waarvoor geen strafvervolging werd ingesteld.

Indien de dader van het misdrijf tot het ontstaan van de schade heeft bijgedragen, in die zin dat zonder dit misdrijf de schade, zoals in concreto vastgesteld, niet zou zijn ontstaan, strekt het te zijnen laste te bevelen herstel zich uit tot de gehele schade, zonder dat daarbij moet worden onderzocht of bij afwezigheid van een ander feit diezelfde schade niet zou zijn ontstaan.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. De aangevoerde miskenning van de motiveringsplicht is afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde wetsschending.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 123,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 januari 2015 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.