Geen recht op bijstand van advocaat bij verklaring voorafgaand aan vervolging



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Recht van verdediging

Uitspraak

Cass. 20 januari 2015

Nr. P.13.0874.N

Arrest

H L N R V,

beklaagde,
eiseres,

tegen

EATON FILTRATION bvba, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Eigenlostraat 21,
burgerlijke partij,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 april 2013.
De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft op 31 december 2014 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie neergelegd.
Op de rechtszitting van 20 januari 2015 heeft raadsheer Peter Hoet verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat de eiseres op 10 augustus 2006 zonder bijstand van een advocaat een door de verweerster afgenomen verklaring ondertekende; het verklaart evenwel de strafvordering ontvankelijk en toelaatbaar, omdat artikel 6 EVRM alleen van toepassing is wanneer de verdachte wordt verhoord door de politie of het gerecht; nochtans is artikel 6.1 EVRM van toepassing op de gehele strafprocedure en niet enkel op de fase waarin over de gegrondheid wordt geoordeeld; het strafonderzoek vindt zijn grondslag in een intern onderzoek dat niet regelmatig is, omdat de eiseres in het kader van dit intern onderzoek een zelfincriminerende verklaring aflegde zonder bijstand van een advocaat; aldus is het volledige strafproces aangetast en moet de strafvordering onontvankelijk worden verklaard.

2. Noch artikel 6.1 en 6.3.c EVRM of artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, noch het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging verlenen een recht op bijstand van een advocaat aan een persoon die, voorafgaand aan enige vervolging, met betrekking tot strafbare feiten die hij zou hebben gepleegd, een verklaring aflegt tegenover een benadeelde van die feiten.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest dat de vertegenwoordigers van de verweerster bij het afnemen van eiseres' verklaring geen ongeoorloofde druk op haar hebben uitgeoefend noch enige andere onregelmatigheid hebben begaan en motiveert het waarom dat zo is. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing dat het uit eiseres' verklaring voortkomende bewijs regelmatig is en tegen haar kan gebruikt worden, naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

4. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefse aanvoering dat eiseres' verklaring is verkregen met schending van de voormelde verdragsbepalingen en miskenning van de voormelde algemene rechtsbeginselen.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 100,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 20 januari 2015 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

 

P.13.0874.N

Conclusie van advocaat-generaal M. Timperman:

Voorliggende zaak evoceert de vraag naar de horizontale werking van de procedurele waarborgen in de strafprocedure, in het bijzonder het recht op bijstand van een advocaat, zoals vervat in de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM en 14.1 en 14.3.d IVBPR, en de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging.
1. Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 18 oktober 2011 werd de eiseres schuldig bevonden en tot straf veroordeeld voor feiten van huisdiefstal in de periode van 25 april 2002 tot en met 8 augustus 2006. Op burgerlijk vlak werd zij veroordeeld tot betaling van euro 603.000 aan verweerster, meer de vergoedende intresten vanaf 10 augustus 2006, meer de gerechtelijk intresten. Op het hoger beroep van eiseres en van het openbaar ministerie werd dit vonnis door het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 12 april 2013 bevestigd.(1) Op 17 april 2013 stelde de eiseres cassatieberoep in.
2. Blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest was de eiseres werkneemster bij de verweerster en heeft zij op 10 augustus 2006 in de burelen van verweerster voor de algemeen directeur, de general manager en de toenmalige raadsman van verweerster een schriftelijke verklaring betreffende de tenlastegelegde feiten ondertekend waarin zij die feiten toegaf.
Voor de appelrechters voerde de eiseres aan dat deze verklaring werd bekomen met miskenning van het zwijgrecht en onder dwang en dat zij bij de confrontatie met de genoemde personen de bijstand had moeten verkrijgen van een raadsman. Eiseres leidde daaruit af dat haar verklaring uit de debatten moest worden geweerd en dat dit moest leiden tot de onontvankelijkheid, minstens ontoelaatbaarheid van de strafvordering, aangezien de (latere) klacht met burgerlijke partijstelling en het onderzoek hoofdzakelijk op die verklaring berustten.
De appelrechters oordeelden:
dat de bepalingen van artikel 6 van het EVRM verplichtingen opleggen die de overheid moet naleven om het recht op een eerlijk proces te garanderen zodra een geschil bij de rechter aanhangig is gemaakt;
dat blijkens artikel 6 EVRM en de actuele rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, van het Hof van Cassatie en van het Grondwettelijk Hof vaststaat dat enkel wanneer een verdachte door de politie of het gerecht wordt verhoord hij in beginsel het recht heeft op de bijstand van een raadsman. Alleen wanneer in die gevallen een verdachte een zichzelf incriminerende verklaring aflegt zonder bijstand van een raadsman mag met die verklaring en de elementen die daarop zijn gesteund geen rekening worden gehouden;
dat, wanneer een partij, buiten die gevallen, bij een gesprek over een geschil niet de mogelijkheid had om zich te laten bijstaan door een raadsman en niet werd meegedeeld dat hij/zij het recht heeft om te zwijgen en zichzelf te incrimineren artikel 6 niet van toepassing is en er geen sprake kan zijn van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
- dat uit geen enkel van de middelen aangevoerd door de eiseres moet worden besloten tot de niet ontvankelijkheid van de strafvordering, noch tot de uitsluiting als bewijs van de geschreven verklaring van de eiseres.
3. Voor uw Hof voert eiseres aan dat het oordeel van de appelrechters, dat artikel 6 EVRM alleen van toepassing zou zijn wanneer een verdachte wordt gehoord door de politie of het gerecht, onmogelijk kan gevolgd worden gezien artikel 6.1 EVRM van toepassing is op de hele strafprocedure en niet enkel op de fase waarin de gegrondheid van de strafvordering wordt beoordeeld zodat het dan ook noodzakelijk is dat wanneer een burgerlijke partij, in casu een vennootschap, een intern onderzoek voert, deze daarbij tevens de mensenrechtelijke vereiste van onder meer het verbod op zelfincriminatie en bijstand van een raadsman bij het afnemen van verklaringen dient te respecteren.
Volgens de eiseres hebben de appelrechters dan ook artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR en de algemene rechtsbeginselen op een eerlijk proces en het recht van verdediging geschonden door na te laten de onontvankelijkheid, minstens de ontoelaatbaarheid van de vordering uit te spreken, terwijl vaststaat dat zij een verklaring heeft afgelegd zonder dat zij zich kon laten bijstaan door een advocaat.
4. De kernvraag die de eiseres in haar middel aan de orde stelt is de vraag of het recht op bijstand van een advocaat dat vervat ligt in artikel 6.3.c EVRM en artikel 14.3.d IVBPR ook geldt tussen private personen die elkaar confronteren met strafbare feiten.
Alvorens op die vraag in te gaan zij gewezen op het feit dat de eiseres alleen aanvoert dat de appelrechters de vordering onontvankelijk, minstens ontoelaatbaar, hadden moeten verklaren. Zij voert niet aan dat de appelrechters ten onrechte oordeelden dat het bewijs niet moest geweerd worden.
Volgens vaste rechtspraak van uw Hof leidt de schending van artikel 6.3 EVRM wegens de afwezigheid van de bijstand van de advocaat bij het verhoor niet tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvordering. Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend.(2)
In casu staat evenwel niet de vraag naar het rechtsgevolg verbonden aan de schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM centraal, maar wel het toepassingsgebied van die bepaling, en meteen ook van de artikelen 14.1 en 14.3.d IVBPR, het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging.
5. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft een ieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak. Krachtens artikel 6.3.c EVRM heeft eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld in het bijzonder het recht de bijstand te hebben van een raadsman.
Het begrip ‘vervolging' heeft in het EVRM een autonome betekenis. De vervolging vangt aan vanaf het ogenblik waarop een persoon officieel door de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van de aantijging dat hij een misdrijf heeft gepleegd.(3) Geheel in lijn daarmee oordeelt uw Hof dat het recht op bijstand van een advocaat en het zwijgrecht in al zijn aspecten en de daarbij afgeleide rechten waaronder de cautieplicht, slechts gelden vanaf de aanvangsfase van de strafvervolging, maar niet voor louter administratieve onderzoeken waarbij de verhoorde persoon niet verdacht wordt van een misdrijf of niet onder de dreiging van een strafvervolging leeft, maar die er louter op gericht zijn materiële vaststellingen te doen.(4)
Reeds uit het gegeven dat het recht vervat in artikel 6.3.c pas aan de orde is wanneer er sprake is van ‘vervolging' blijkt dat niet in algemene termen kan gesteld worden dat een benadeelde, (toekomstige) burgerlijke partij - private persoon - die een privaat persoon geheel op eigen initiatief met feiten confronteert en diens verklaringen afneemt, ertoe gehouden is het zwijgrecht of het recht op bijstand van een advocaat te respecteren. Niet zelden zal er op het moment van die confrontatie immers helemaal nog geen sprake zijn van een vervolging.
Maar zelfs als er wel reeds sprake zou zijn van ‘vervolging', is een private persoon er niet toe gehouden de waarborgen van art. 6.3 EVRM te respecteren. Anders dan bijvoorbeeld het recht op privacy vervat in artikel 8 EVRM, zijn de waarborgen die het recht op een eerlijk proces biedt slechts te respecteren door de politie en de gerechtelijk autoriteiten.
Dat blijkt niet alleen algemeen uit het feit dat het Europees Hof van de Rechten van de Mens in zijn rechtspraak aangeeft dat de ratio van het recht op een eerlijk proces in het bijzonder verbonden is met de bescherming van de verdachte tegen abusieve dwang door de autoriteiten en dat de doelstellingen van artikel 6 de wapengelijkheid tussen de onderzoekende of vervolgende instanties en de verdachte inhouden(5), maar ook meer concreet doordat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens steevast gewag maakt van het recht op bijstand van een advocaat bij het politieverhoor(6). De rechtspraak van uw Hof ligt in dezelfde lijn.(7)
Ten overvloede kan daaraan worden toegevoegd dat ook in de Richtlijn 2013/48/EU het recht op toegang tot een advocaat slechts wordt voorzien bij verhoor of onderzoeksverrichtingen door de politie of door een andere handhavingsautoriteit of rechterlijke instantie.(8)
Terloops kan ook nog worden opgemerkt dat op nationaal vlak bij de totstandkoming van de Salduz-wet een amendement werd ingediend dat het verhoor definieert als ‘een geleide ondervraging aangaande misdrijven die ten laste kunnen worden gelegd, door een daartoe bevoegde persoon geacteerd in een proces verbaal, in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden.' Als bevoegde personen werden in de toelichting bij het amendement vermeld: de politieambtenaren of ambtenaren van een aantal inspectiediensten die als officier of agent van de gerechtelijk politie kunnen fungeren en de gerechtelijk overheid zoals de procureur des Konings of de onderzoeksrechter. Het amendement werd uiteindelijk ingetrokken, maar niet zonder dat werd beklemtoond dat de toelichting erbij als leidraad moet dienen bij de interpretatie van de wet(9).
Aldus oordeelt uw Hof dat het in artikel 47bis Wet boek van Strafvordering bedoelde verhoor elk door een daartoe bevoegde persoon of instantie in het kader van een strafvordering verricht verhoor is in verband met een feit dat aanleiding kan geven tot een sanctie in de zin van het EVRM.(10)
Evenzo overweegt het Grondwettelijk Hof dat artikel 47bis, gewijzigd bij artikel 2 van de Salduz-wet(11), en artikel 2bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij artikel 4 van de Salduz-wet, de daarin gewaarborgde rechten situeren vóór, aan het begin van of gedurende het ‘verhoren van personen' door de politiediensten, de procureur des Konings of de onderzoeksrechter.(12)
Uit de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM kan dus niet worden afgeleid dat het recht op bijstand van een advocaat geldt bij het afnemen van een verklaring door een private persoon.
Er is geen enkele reden om anders te oordelen in het kader van artikel 14 IVBPR of het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. Wat dit laatste betreft kan aan voorgaande nog toegevoegd worden dat uw Hof op 25 februari 1991 in een burgerlijke zaak reeds oordeelde dat inzake arbeidsovereenkomsten het recht van verdediging een algemeen rechtsbeginsel is dat dwingend is voor de rechter en niet voor de werkgever.(13)
Samenvattend geldt dat noch artikel 6.1 en 6.3 EVRM, noch artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, noch het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging vereisen dat een persoon die in afwezigheid van een overheidsinstantie tegenover een particulier, vertegenwoordiger van de benadeelde van de feiten, (voorafgaand aan enige strafklacht) een verklaring aflegt omtrent feiten die hij heeft gepleegd die als misdrijf kunnen worden gekwalificeerd, recht op bijstand van een advocaat geniet.
Het enige middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
6. Volledigheidshalve kunnen hier nog twee bedenkingen aan toegevoegd worden:
het gegeven dat een private persoon er niet toe gehouden is bij het afnemen van een verklaring van een andere private persoon het recht op bijstand van een advocaat, of andere waarborgen van het recht op een eerlijk proces, te respecteren, impliceert niet dat zulk recht, of ruimer het recht op een eerlijk proces, nooit zou kunnen geschonden zijn wanneer een private persoon van een andere persoon een verklaring afneemt. Ten einde te verzekeren dat het recht op een eerlijk proces voldoende praktisch en effectief is, moet men immers vermijden dat de overheidsinstanties private personen zouden inschakelen om de waarborgen die het recht op een eerlijk proces verleent te omzeilen. Ter illustratie kan verwezen worden naar het arrest Allan van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.(14) In deze zaak was het zwijgrecht aan de orde. Onder verwijzing naar Canadese rechtspraak, overweegt het EHRM dat wanneer de informant waarvan wordt aangevoerd dat hij het zwijgrecht heeft ondermijnd niet klaarblijkelijk een staatsagent was, de analyse zich moet richten op de relatie tussen de informant en de staat en op de relatie tussen de informant en de verdachte. Het zwijgrecht zou geschonden zijn als de informant, ook al is dat een privaat persoon, handelt als agent van de staat op het moment dat de verdachte de verklaring aflegt en wanneer de informant het afleggen van de verklaring veroorzaakt. Of de informant moet beschouwd worden als agent van de staat is afhankelijk van de vraag of het onderhoud tussen de informant en de verdachte zou hebben plaatsgevonden zoals het heeft plaatsgevonden zonder de tussenkomst van de overheid.(15)
In casu wordt niet aangevoerd dat de verweerster als agent van de staat zou zijn opgetreden bij het afnemen van de verklaring en het blijkt ook helemaal niet uit de feitelijke vaststellingen van het bestreden arrest dat zulks het geval zou zijn.
Zelfs als dat wél het geval zou zijn, kan nog worden opgemerkt dat, zoals hierboven reeds werd gesteld, het resultaat niet de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering met zich zou meebrengen(16), maar enkel gebeurlijk zou kunnen leiden tot ontoelaatbaarheid of uitsluiting van het bewijs.(17)
De omstandigheid dat verweerster de aangevoerde bepalingen niet kan geschonden hebben, betekent natuurlijk niet dat het bewijs dat de verweerder heeft verzameld rechtmatig verkregen is en dat de rechter het, voor zover het onrechtmatig zou verkregen zijn, in alle omstandigheden moet toelaten en kan gebruiken.(18) De eiseres komt evenwel niet op tot de beslissing tot toelating en gebruik van het bewijs. Dat zou overigens geen doel getroffen hebben nu het arrest, met de overwegingen die het bevat, de beslissing dat niet is aangetoond dat de verweerder op onrechtmatige wijze in het bezit is gekomen van het bewijs dat zij bij haar klacht met burgerlijke partijstelling heeft gevoegd en waardoor de strafvordering op gang werd gebracht, naar recht verantwoordt.
7. Er zijn geen ambtshalve middelen: de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Conclusie: verwerping.
_____________________
(1) Enkele hier niet terzake doende wijzigen buiten beschouwing gelaten.
(2) Zie o.m. Cass. 8 november 2011, AR P.11.0647.N, AC 2011, nr. 604, ro 23; Cass. 29 november 2011, AR P.11.0113.N, AC 2011, nr. 651 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, ro 10; Cass. 26 maart 2013, AR P.12.0387.N, AC 2013, nr. 211, ro 18; Cass. 26 november 2013, AR P.13.1234.N, AC 2013, nr. 634, ro 6; Cass. 8 april 2014, AR P.13.1908.N, AC 2014, nr. 279, ro 3.
(3) Zie o.m. EHRM, nr. 6903/75, Deweer t/ België, 27 februari 1980, Publ.Cour, ser. A, nr. 35, ro 46; EHRM (Grote Kamer), nr. 31333/06, Mc Farlane t/ Ierland, 10 september 2010, ro 143. Deze omschrijving heeft het toepassingsgebied (art. 2, 1°) van Richtlijn 2013/48/EU geïnspireerd (Richtlijn het Europees Parlement en de Raad nr. 2013/48/EU, 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, PB L 6 november 2013, afl. 294, 1), zodat zij ook relevant is voor het recht op toegang van een advocaat dat dient/zal dienen te worden verschaft in het kader van het recht van de Europese Unie.
(4) Cass. 29 november 2011, AR P.11.0113.N, AC 2011, nr. 651 met concl. adv.-gen. DUINSLAEGER, ro 26.
(5) Zie bijv. EHRM, nr. 36391/02, Salduz t/ Turkije, 27 november 2008, ro. 53; EHRM, nr. 22313/04, Leonid Lazarenko t/ Oekraïne, 28 oktober 2010, ro 51; EHRM, 42310/04, Nechiporuk en Yonkalo t/ Oekraine, 21 april 2011, ro 258; EHRM, nr. 13885/05, Süzer t/ Turkije, 23 april 2013, ro 75.
(6) Zie bijv. EHRM, nr. 18731/91, John Murray t/ VK, 8 februari 1996, Reports 1996-I, 49, ro 63; EHRM, nr. 28135/95, Magee t/ VK, 6 juni 2000, ro 41; EHRM, nr. 36391/02, Salduz t/ Turkije, 27 november 2008, ro 52 en ro 55; EHRM, nr. 63315/00, Karata? t/ Turkije, 5 januari 2010, ro 90; EHRM, nr. 31720/02, Titarenko t/ Oekraïne, 20 september 2012, ro 86.
(7) Zie bijv. Cass. 23 november 2010, AR P.10.1428.N, AC 2010, nr. 690 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, ro 12, 14 en 17
(8) Art. 3.2, a), b) en d).
(9) Verslag namens de Commissie voor de Justitie Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van het Wetboek van strafvordering, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen die van zijn vrijheid wordt beroofd rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, Parl.St. Kamer 2010-2011, nr. 53 - 1279/005, 49-56.
(10) Cass. 10 april 2012, AR P.12.0584.N, AC 2012, nr. 222, ro 10.
(11) Wet 13 augustus 2011 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen, en door hem te worden bijgestaan, BS 5 september 2011.
(12) GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, B.5.3.
(13) Cass. 25 februari 1991, AR 8885, AC 1990-91, nr. 344.
(14) EHRM, nr. 48539/99, Allan t/ Verenigd Koninkrijk, 5 november 2002, Rec. CEDH 2002, IX.
(15) Zie ro. 31 en 51 van het arrest Allan.
(16) Zie voetnoot 2.
(17) Zie o.m. Cass. 13 november 2012, AR P.12.1082.N, AC 2012, nr. 610 met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER.
(18) Rechtspraak inzake het toelaten van onrechtmatig verkregen bewijs, zie o.m. Cass. 14 oktober 2003, AR P.03.0762.N, AC 2003, nr. 499 met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 23 maart 2004, AR P.04.0012.N, AC 2004, nr. 165; Cass. 16 november 2004, AR P.04.1127.N, AC 2004, nr. 550 met concl. van advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 2 maart 2005, AR P.04.1644.F, AC 2005, nr. 130 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 10 maart 2008, AR S.07.0073.N, AC 2008, nr. 166.