Geen recht van verdediging op voor de hand liggende argumenten



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Recht van verdediging

Uitspraak

Nr. C.14.0229.F

P. V. L.,

tegen

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANDERLECHT,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 16 mei 2013 van het hof van be-roep te Brussel.
De zaak is bij beschikking van 10 februari 2015 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.
Voorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Middel
Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging is niet miskend wan-neer de rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, konden verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover ze bijgevolg tegenspraak konden voeren.
Het hof van beroep heeft in zijn arrest alvorens recht te doen van 13 september 2012 vermeld dat:
- "de verweerder op de zitting van 25 november 2004 besliste [...] om aan het personeel van zijn administratie een geïndexeerde vergoeding toe te kennen van 165 euro zo ze geslaagd waren voor de volledige cyclus overheidsmanagement of de hogere afdeling van de provinciale opleiding bestuursrecht, met ingang van 1 januari 2004 (niet cumuleerbare vergoeding zo ze voor beide opleidingen geslaagd waren)";
- "de deliberatie van 25 november 2004 - die de kern van het probleem is - en de interpretatie ervan waartegen de partijen zich verzetten, steunt op de volgende gronden: ‘overwegende dat vóór het Sociaal Handvest een premie werd toegekend aan de personeelsleden die de opleidingen overheidsmanagement en bestuursrecht volgden; overwegende dat alle premies sinds 1 januari 1997 zijn afgeschaft krachtens bepalingen van het Sociaal Handvest met als doel het personeelsbeheer binnen de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te harmoniseren; gelet op de omzendbrief van 17 april 2000 waarin de minister-president van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vraagt om binnen de kortst mogelijke termijn opnieuw een geldelijke waardering in te invoeren onder de vorm van een aanmoedigingspremie voor het gemeenteper-soneel dat die opleidingen volgt; gelet op het lage aantal inschrijvingen voor die opleidingen en overwegende dat het gemeentepersoneel dient aangespoord te worden om die opleidingen te volgen; overwegende dat een vergoeding moet worden heringevoerd na de beëindiging van de cyclus voor de ambtenaren die geslaagd zijn voor die opleidingen om hun inspanningen voorlopig te belonen'";
- "die redenen en overwegingen lijken erop te wijzen dat de verweerder, na alle voordien toegekende premies met ingang van 1 januari 1997 te hebben afge-schaft, zou hebben beslist opnieuw een slaagvergoeding in te voeren voor zijn personeelsleden die vanaf 1 januari 2004 zouden slagen voor de volledige cy-clus overheidsmanagement of de hogere afdeling van de provinciale opleiding bestuursrecht en dit, om zijn personeelsleden aan te sporen die opleidingen te volgen en succesvol te beëindigen", en dat de overlegging moet worden bevo-len van de verschillende documenten waarnaar die gronden verwijzen en die een licht kunnen werpen op de draagwijdte van de deliberatie van 25 november 2004.
Met die overwegingen van het arrest van 13 september 2012 heeft het hof van be-roep de vraag ter discussie gesteld of de nieuwe premie, ingesteld bij verordening van 25 november 2004, enkel van toepassing was voor de personeelsleden van de verweerder die vanaf 1 januari 2004 zouden slagen voor de volledige cyclus over-heidsmanagement of de hogere afdeling van de provinciale opleiding bestuurs-recht.
Het bestreden arrest dat de vordering van de eiser verwerpt op grond dat die aan-voerde dat men moest slagen voor examens die vóór 1 januari 2004 plaatsvonden en de verordening van 25 november 2004 bijgevolg niet van toepassing was, steunt op een element waarvan de eiser, gelet op het verloop van het debat, kon verwachten dat de rechter het in zijn oordeel zou betrekken en waarover hij tegen-spraak heeft kunnen voeren.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2015 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.