Geen verstek wanneer de beklaagde aanwezig is ter zitting



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Recht van verdediging

Uitspraak

Cass. 13 januari 2015

Nr. P.13.1745.N

Arrest

J K C,
beklaagde,
eiser,

tegen

1. CHUBB INSURANCE COMPANY OF CANADA, met zetel te Toronto (Canada), 1 Financial Place, 1 Adelaide Street East,
burgerlijke partij,

2. INTERNATIONAL AIR TRANSPORT ASSOCIATION, met zetel te Montreal (Canada), 800 Place Victoria, P.O. Box 113,
burgerlijke partij,
verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 december 2012 en 25 september 2013.

De eiser doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 11 juli 2014 een schriftelijke conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht en voornoemde advocaat-generaal heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand

1. Wanneer in strafzaken een beklaagde ter rechtszitting tijdens de vordering van het openbaar ministerie en het pleidooi van de burgerlijke partij aanwezig is of er door zijn raadsman wordt vertegenwoordigd en de gelegenheid heeft zijn excepties en verweermiddelen aan te voeren, is de beslissing op tegenspraak gewezen.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser op de rechtszitting van 6 mei 2013 tijdens het pleidooi van de burgerlijke partij en de vordering van het openbaar ministerie door zijn raadsman was vertegenwoordigd en er zijn excepties en verweermiddelen heeft kunnen aanvoeren. Hieruit volgt dat het arrest van 25 september 2013 op tegenspraak is gewezen.

3. Het arrest van 25 september 2013 is bijgevolg een eindbeslissing. Daartegen staat, evenals tegen het arrest van 5 december 2012 cassatieberoep open.
Er is geen grond tot het verlenen van de afstand.

Middel tegen het arrest van 5 december 2012

4. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het vermoeden van onschuld: het arrest be-sluit tot de ontvankelijkheid van de strafvordering op grond dat ‘het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat door het plegen van een misdrijf", terwijl de schuld van de eiser aan welk misdrijf dan ook niet of nog niet door de wettelijke middelen werd bewezen.

5. Door in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de straf-vordering in algemene termen te stellen dat het recht om de strafvordering uit te oefenen ontstaat door het plegen van een misdrijf, doet het arrest geen uitspraak over eisers schuld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel tegen het arrest van 25 september 2013

6. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbieding van de bewijskracht der akten: het arrest oordeelt dat in het tussen-arrest van 5 december 2012 niet werd geoordeeld over eisers schuld of onschuld aan de hem ten laste gelegde feiten, terwijl dit tussenarrest overweegt dat het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat door het plegen van een misdrijf; hierdoor miskent het arrest de bewijskracht van die overweging uit het tussenarrest van 5 december 2012.

7. Het middel is afgeleid uit de in het middel tegen het arrest van 5 december 2012 vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Eerste middel tegen het arrest van 25 september 2013

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 828 en volgende en 835 Gerechtelijk Wetboek: het arrest antwoordt op eisers verzoek om vast te stellen dat het hof van beroep geheel of gedeeltelijk in de samenstelling van de zetel bij het tussenarrest van 5 december 2012 zich conform artikel 6.1 EVRM van elke verdere behandeling van de zaak dient te onthouden, dat de eiser geen vordering tot wraking heeft ingediend zoals bepaald in de voormelde wetsartikelen; die be-palingen houden geen verband met het door de eiser ingeroepen onpartijdigheids-beginsel.

9. Het arrest overweegt dat in het tussenarrest van 5 december 2012 niet werd geoordeeld over de schuld of de onschuld van de eiser aan de hem ten laste geleg-de feiten. Deze zelfstandige reden draagt de beslissing eisers verweer over de sa-menstelling van de zetel te verwerpen.

Het middel dat opkomt tegen een overtollige reden kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel tegen het arrest van 25 september 2013

10. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbieding van het recht van verdediging: het arrest put de rechtsmacht van de ap-pelrechters in eenzelfde arrest uit, zonder eerst afzonderlijk recht te doen aan eisers preliminaire conclusie; hierdoor ontneemt het arrest aan de eiser elke moge-lijkheid om tot wraking van de appelrechters over te gaan, zodat zijn recht van verdediging is miskend.

11. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voor-dragen, dit moet doen voor de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan. Hoewel dat artikel geen uitdrukkelijke termijn bepaalt waarbinnen de wraking moet worden gevraagd die gegrond is op een reden die zich na de aanvang van de pleidooien heeft voorgedaan, blijkt uit die bepaling, alsmede uit de precieze termijnen die gelden voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en verrichtingen die zij tot gevolg heeft, dat de wra-king moet worden voorgedragen zodra de partij die zich op de wrakingsgrond be-roept, ervan op de hoogte is en, in elk geval, vóór de sluiting van het debat.

12. De wrakingsgrond waarop de eiser zich meent te kunnen beroepen is het feit dat de appelrechters in het arrest van 5 december 2012 reeds kennis zouden heb-ben genomen van de grond van de zaak. Een beroep op die wrakingsgrond was mogelijk van zodra dit tussenarrest was uitgesproken.

Door het enkele feit dat de appelrechters in eenzelfde arrest uitspraak doen over zowel eisers preliminaire conclusie als over de grond van de zaak, ontnemen ze de eiser de mogelijkheid niet om een vordering tot wraking in te stellen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel tegen het arrest van 25 september 2013

13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest van 5 december 2012 oordeelt dat de strafvordering ontstaat door het plegen van het misdrijf en treedt daardoor in de beoordeling van de grond van de zaak; door dat oor-deel konden de appelrechters in dezelfde samenstelling van de zetel geen onpartijdige en onbevooroordeelde rechters meer zijn; aldus miskent het arrest het vereiste van een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

14. Het middel dat is afgeleid uit de door het middel tegen het arrest van 5 december 2012 vergeefs aangevoerde onwettigheid, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 156,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoo-genbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 januari 2015 uitgesproken door voorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

 

 

P.13.1745.N

Conclusie van Plaatsvervangend advocaat-generaal M. De Swaef:

1. Preliminair dient er nagegaan te worden of het cassatieberoep van de eiser niet voorbarig en dus onontvankelijk is. Daarvoor dient de vraag te worden beantwoord of het eindarrest van 25 september 2013 van het hof van beroep al dan niet op tegenspraak is tussengekomen. Het arrest zelf zwijgt daarover, maar stelt wel vast:
"1. De beklaagde J. C. werd ter zitting van het hof waarop de zaak is behandeld vertegenwoordigd door zijn raadsman die het middel uiteengezet in zijn 'preliminaire besluiten' heeft toegelicht, doch vervolgens weigerde om verweer te voeren over de grond van de zaak hoewel hij hiertoe door het hof werd uitgenodigd."
Blijkens het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 mei 2013 was de eiser vertegenwoordigd door zijn raadsman tijdens het pleidooi van de burgerlijke partijen en de vordering van het Openbaar Ministerie.
2. Luidens de rechtspraak van het Hof (bv. Cass. 10 januari 2012, AR P.11.1507.N, AC, 2012, nr. 20) en de doctrine (Bart De Smet, Verstek en verzet in strafzaken. Herziene editie, CABG, 2014, 15; zie in civiele zaken; Bart Van Den Bergh, De tegenspraak tegengesproken? Over verstek en de toepassing van art. 804, tweede lid ger. W., noot onder Cass. 13 december 2012, R.W., 2014-2015, 574) dient, om te bepalen of een beslissing op tegenspraak is gewezen, rekening te worden gehouden met de stukken waaruit blijkt dat partijen het debat hebben bijgewoond en hun vorderingen, verweermiddelen en excepties hebben kunnen aanvoeren. Irrelevant daarbij is de houding van de partij op de rechtszitting. Weigert zij geheel of gedeeltelijk deel te nemen aan het debat, dan is er nog geen sprake van verstek. Selectief verschijnen zoals te dezen, terwijl men wel op de zitting aanwezig is en de kans heeft te reageren op de vordering van het O.M. en de eisen van de burgerlijke partijen, kan m.i. niet gelijkgesteld worden met verstek. (zie Cass. 2 april 2014, AR P.13.1914.F, RDP., 2014, 822 met concl. van advocaat-generaal D. Vandermeersch). Het cassatieberoep is dus ontvankelijk.
(...)