Nieuwe vordering bij tegeneis



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Nieuwe tussenvordering

Uitspraak

 

RRolnummer 4075
Arrest nr. 77/2007
van 10 mei 2007
A R R E S T
__________
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek,
gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt,
L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier
P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest :
*
* *
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 16 november 2006 in zake Madeleine Meunier tegen Josiane Hoflack,
waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 november 2006, heeft de
Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, in zoverre een eiser, krachtens die bepaling, zijn vordering enkel kan uitbreiden of
wijzigen binnen de perken van een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, terwijl een
dergelijke beperking niet bestaat voor de eiser op tegenvordering ? ».
Memories zijn ingediend door :
- Josiane Hoflack, wonende te 1050 Brussel, Géo Bernierlaan 4;
- de Ministerraad.
Op de openbare terechtzitting van 18 april 2007 :
- is verschenen : Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de
balie te Brussel, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht;
- is de voornoemde advocaat gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de
rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft Madeleine Meunier hoger beroep ingesteld tegen een
vonnis dat de Vrederechter te Schaarbeek op 28 mei 2004 heeft uitgesproken.
Madeleine Meunier is eigenares van een onroerend goed in Schaarbeek dat zij verhuurde aan personen die
er een hotel uitbaatten. Na een overdracht van huur is Josiane Hoflack daarvan de huurder geworden. Voor het
verwijzende rechtscollege is zij de geïntimeerde partij. Zij had de appellante voor de vrederechter gedagvaard
wegens problemen in verband met de berekening van de indexering van de huur en wegens moeilijkheden in
verband met de renovatie van het onroerend goed. Intussen heeft Madeleine Meunier geweigerd de
handelshuurovereenkomst te hernieuwen teneinde het goed persoonlijk te betrekken. In plaats van zich er te
vestigen, heeft zij het onroerend goed te koop aangeboden, waardoor de eerste rechter aan de huurder, die in die
zin een nieuwe vordering had ingesteld, een vergoeding heeft toegekend.
De appellante vraagt dat het eerste vonnis gedeeltelijk wordt hervormd en verwijt de beslissing dat zij haar
tot de betaling van diverse bedragen heeft veroordeeld. De appellante betwist onder meer de ontvankelijkheid
van de nieuwe vordering die bij de vrederechter is ingesteld om een uitzettingsvergoeding te verkrijgen, omdat
die zou zijn ingesteld met schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat volgens het Hof van
Cassatie zou vereisen dat een dergelijke vordering berust op een feit dat of een handeling die in de dagvaarding
wordt aangevoerd.
De Rechtbank van eerste aanleg, die wijst op een mogelijke discriminatie tussen de rechten van de eiser en
die van de verweerder, stelt ambtshalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag.
III. In rechte
- A -
Standpunt van de geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege
A.1.1. De geïntimeerde partij voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel herinnert eraan dat de
grenzen die artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek stelt aan het instellen van een nieuwe vordering door de
oorspronkelijke eiser tot doel hebben de rechten van de verdediging te vrijwaren, alsook moeilijkheden op het
vlak van de bevoegdheden te voorkomen.
Vervolgens herinnert zij eraan dat die bepaling niet van toepassing is op de tegenvorderingen die de
oorspronkelijke verweerder in eerste aanleg heeft ingesteld. Volgens haar is dat verantwoord door het feit dat de
oorspronkelijke eiser, die het geding heeft ingesteld, vanzelfsprekend zal worden ingelicht over het verdere
verloop ervan en dat hij zich in voorkomend geval dus zal kunnen verdedigen ten aanzien van de tegenvordering.
A.1.2. De geïntimeerde partij leidt hieruit af dat de oorspronkelijke eiser en de oorspronkelijke verweerder
dus verschillend worden behandeld wanneer de ontvankelijkheid van een in de loop van het geding ingestelde
vordering wordt onderzocht. Zij is van mening dat een dergelijk verschil in behandeling volkomen verantwoord
is wanneer de rechtspleging bij verstek verloopt. Het is daarentegen niet verantwoord dat dezelfde beperkingen
worden ingevoerd wanneer de rechtspleging op tegenspraak verloopt, zoals te dezen, daar de verweerder die
geen verstek laat gaan altijd op de hoogte is van het bestaan van een nieuwe vordering die tegen hem wordt
ingesteld.
De geïntimeerde partij besluit aldus dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord.
Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek schendt volgens haar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
zoverre het, wanneer de rechtspleging op tegenspraak verloopt, het recht van de oorspronkelijke eiser om een
nieuwe vordering in te stellen, zonder verantwoording beperkt.
Standpunt van de Ministerraad
A.2.1. De Ministerraad is in de eerste plaats van mening dat de prejudiciële vraag niet nuttig is om het
geschil op te lossen. De nieuwe vordering tot het verkrijgen van een uitzettingsvergoeding die de oorspronkelijke
eiseres voor de vrederechter had ingesteld, volgde immers op de weigering om haar handelshuurovereenkomst te
hernieuwen. De Ministerraad voert echter aan dat de rechtsleer en de rechtspraak eensgezind ervan uitgaan dat
de vordering die wordt ingesteld wegens feiten die niet in de gedinginleidende akte worden aangevoerd, maar die
later zijn voorgevallen of ontdekt en het geschil beïnvloeden, wat te dezen het geval is, geen nieuwe vordering is.
A.2.2. In ondergeschikte orde, indien het Hof die argumentatie niet zou aanvaarden, voert de Ministerraad
aan dat de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet met elkaar vergelijkbaar zijn. De
nieuwe vordering is immers de vordering die het onderwerp of de reden van de oorspronkelijke vordering
wijzigt, terwijl de tegenvordering de vordering is die ertoe strekt de oorspronkelijke eiser te laten veroordelen.
Wanneer de rechtsleer en de rechtspraak het erover eens zijn dat de tegenvorderingen zijn uitgesloten van het
toepassingsgebied van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, beogen zij uitsluitend het instellen van de
tegenvordering en niet de eventuele wijziging of uitbreiding ervan.
De Ministerraad vervolgt, met verwijzing naar bepaalde rechtsleer, dat artikel 807 van het Gerechtelijk
Wetboek in werkelijkheid ook van toepassing is op de uitbreiding of de wijziging van de tegenvorderingen. Hij
besluit dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp moet worden verklaard, in zoverre geen enkele discriminatie
mogelijk is, daar het gaat om categorieën van personen die geenszins met elkaar vergelijkbaar zijn.
A.2.3. In nog meer ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat het aangevoerde verschil in
behandeling verantwoord is, daar de tegenvordering per definitie verschilt van de oorspronkelijke vordering en
er bijgevolg geen enkele discriminatie kan bestaan. De prejudiciële vraag moet dus zonder voorwerp worden
verklaard.
- B -
B.1. De vraag van het verwijzende rechtscollege aan het Hof luidt of artikel 807 van het
Gerechtelijk Wetboek in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de
oorspronkelijke eiser slechts binnen de perken van een feit dat of een handeling die in de
dagvaarding wordt aangevoerd, toestaat zijn vordering uit te breiden of te wijzigen, terwijl
een dergelijke beperking niet bestaat voor de eiser op tegenvordering.
Uit de motieven van het verwijzingsvonnis blijkt dat de vergelijking enkel de situatie van
de verweerder in eerste aanleg beoogt wanneer hij een tegenvordering wil instellen en niet
wanneer hij zijn reeds ingestelde tegenvordering wil uitbreiden of wijzigen.
B.2.1. De Ministerraad is van mening dat het antwoord op de vraag niet nuttig is om het
geschil op te lossen omdat de uitbreiding van de oorspronkelijke vordering te dezen gegrond
is op een in de loop van het geding gebeurd feit, hetgeen in de rechtspraak en de rechtsleer
niet als een nieuwe vordering zou worden beschouwd.
B.2.2. Aangezien de exceptie verband houdt met de draagwijdte van de in het geding
zijnde bepaling, valt het onderzoek ervan samen met dat van de grond van de zaak.
B.3.1. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden,
indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de
dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is ».
B.3.2. Het voormelde artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist een nauwe band
tussen de oorspronkelijke vordering en de uitgebreide of gewijzigde vordering. Die bepaling
strekt immers ertoe het recht van verdediging van de oorspronkelijke verweerder te
waarborgen en te voorkomen dat die verweerder, die aan de hand van de gedinginleidende
akte kennis heeft gekregen van de feiten of handelingen die aan de oorspronkelijke vordering
ten grondslag liggen, zou worden verrast door het aanvoeren van nieuwe feiten of
handelingen die niet in de inleidende akte zijn vermeld.
B.3.3. De tegenvordering is, luidens artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek, een
tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de oorspronkelijke eiser een veroordeling
te doen uitspreken. Wanneer zij in eerste aanleg wordt ingesteld, hoeft zij niet noodzakelijk
een verband te vertonen met de oorspronkelijke vordering en is zij ontvankelijk tot de sluiting
van de debatten. De tegenvordering staat dus los van de oorspronkelijke vordering, zodat
artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is op het instellen ervan.
B.3.4. Hieruit vloeit een verschil in behandeling voort tussen de oorspronkelijke eiser die
de vordering wenst te wijzigen of uit te breiden en de oorspronkelijke verweerder die in eerste
aanleg een tegenvordering instelt.
B.4.1. De in het geding zijnde bepaling streeft een wettig doel na : de wetgever vermocht
immers een bijzondere bescherming toe te kennen aan de rechten van de oorspronkelijke
verweerder die wordt geconfronteerd met een wijziging van de oorspronkelijke vordering
door te vereisen, allereerst, dat zij het voorwerp uitmaakt van conclusies op tegenspraak en,
vervolgens, dat zij een grondslag vindt in de feiten of handelingen die in de gedinginleidende
akte worden aangevoerd.
B.4.2. Het verschil in behandeling berust op een objectief en pertinent criterium : de
oorspronkelijke eiser die zijn vordering wenst uit te breiden of te wijzigen, heeft met de
gedinginleidende akte alle vrijheid gehad om zijn aanspraken ten aanzien van de verweerder
te definiëren en het onderwerp van het geschil aldus te omschrijven. De eiser op
tegenvordering definieert, wanneer hij zijn vordering in eerste aanleg instelt, voor het eerst het
onderwerp van zijn aanspraken ten aanzien van de oorspronkelijke eiser. De eiser op
tegenvordering bevindt zich in dat opzicht in de situatie van de oorspronkelijke eiser wanneer
deze zijn vordering indient.
B.4.3. Dat verschil in behandeling doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de
rechten van de oorspronkelijke eiser. Vermits de oorspronkelijke eiser het geding heeft
ingesteld, heeft hij immers alle vrijheid gehad de omvang ervan in de gedinginleidende akte te
bepalen. Overigens belet niets de oorspronkelijke eiser, indien hij niet in de voorwaarden
verkeert om de oorspronkelijke vordering te wijzigen, afzonderlijk een nieuwe vordering in te
stellen en de nieuwe feiten of handelingen aan te voeren waarop zijn nieuwe aanspraken
berusten.
B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet
niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de
bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 10 mei 2007.
De griffier, De voorzitter,
P.-Y. Dutilleux M. Melchior