Opstalrecht en woonstvergoeding na echtscheiding



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Woonstvergoeding

Uitspraak

Brussel 

A.R. Nr.: 2008/AR/447


INZAKE VAN:

V. M.,

TEGEN:

S. R.,

(...)

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. Huidige vordering heeft betrekking op de beweringen en zwarigheden ingeroepen door de beide partijen n.a.v. de vereffening en verdeling van hun huwelijksgemeenschap.

1.2. Hierop zal nader ingegaan worden in punt III van huidig arrest.


II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen gehuwd zijn op 9 februari 1989 onder het wettelijk stelsel ingevolge hun huwelijkscontract verleden op 30 januari 1989.

Dit huwelijkscontract bevatte tevens een beding inzake een recht van opstal ten voordele van de gemeenschap, verleend op een bouwgrond, gelegen te T. en eigendom van geïntimeerde. Er werd tevens bedongen dat aan voormeld recht van opstal een einde zou komen bij echtscheiding en dat geïntimeerde alsdan een vergoeding zou dienen te betalen aan appellante voor wat de op te richten woning betreft en dat deze vergoeding bepaald zou worden overeenkomstig de modaliteiten opgenomen in het huwelijkscontract.

Op 31 maart 2003 werd de echtscheiding uitgesproken, werd de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding in dat vonnis bepaald op 3 december 1998, werd notaris X. aangesteld om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap en werd notaris Y. aangesteld om de niet - verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen.

Het P.V. van beweringen werd opgesteld op 14 december 2006 gevolgd door het advies van de instrumenterende notaris van 30 januari 2007.

III. Bespreking.

3.1. Wat de woning betreft gelegen te L., (= eigen goed van geïntimeerde):

3.1.1. Meerwaarde van deze woning:

3.1.1.1. Appellante vordert, op grond van artikel 1435 BW, de helft van de waardevermeerdering van deze woning. Dit onroerend goed werd door geïntimeerde aangekocht in 1985, zijnde vóór het huwelijk.
Deze vordering is ongegrond.
In beginsel geniet alleen de eigenaar van de waardevermeerdering van zijn eigen onroerend goed ingevolge economische omstandigheden.
Er zou enkel een reden kunnen zijn tot vergoeding lastens de echtgenoot/eigenaar wanneer bepaalde werken zouden zijn uitgevoerd aan de woning die gefinancierd werden door de gemeenschap (zie verder, punt 3.1.2. van huidig arrest).

3.1.1.2.Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

3.1.2. Uitgevoerde werken:

3.1.2.1. Opdat de gemeenschap recht zou hebben op een vergoeding voor werken aan voormeld huis dient appellante het bewijs te leveren dat er dergelijke werken uitgevoerd werden vóór 17 juni 1999 , datum van de inleiding van de eerste echtscheidingseis.
De boedelnotaris was van oordeel dat Mevrouw V. dit bewijs niet leverde.

3.1.2.2. Appellante beroept zich op tal van feitelijke gegevens die echter geenszins aantonen dat werken werden uitgevoerd aan de eigen woning van geïntimeerde met gelden van de gemeenschap.
Feitelijke gegevens zoals "de chronologie van de feiten" en foto's bewijzen niet dat gelden van de gemeenschap aangewend werden ten voordele van een eigen goed en dat die werken werden uitgevoerd vóór 17 juni 1999.

3.1.2.3. De eerste rechter besliste dan ook terecht dat appellante niet voldoende naar recht het bewijs leverde van het uitvoeren van verbouwingen/investeringen vóór 17 juni 1999 dewelke gefinancierd zouden zijn geweest met gemene gelden.
Er is in deze dan ook geen vergoedingsplicht lastens geïntimeerde ten voordele van de gemeenschap.

3.1.2.4. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.1.3. De afbetaling van de eigen leningsschuld van geïntimeerde door de gemeenschap m.b.t. voornoemde woning:

3.1.3.1. M.b.t. de aflossing van de eigen lening van geïntimeerde vraagt appellante een vergoeding, niet alleen voor het kapitaal, maar ook voor de intresten (= 41.893,80 euro ).

3.1.3.2. Bij het vaststellen van het bedrag van de vergoeding lastens geïntimeerde voor de aflossing van diens eigen leningsschuld aangegaan vóór het huwelijk, blijven de verschuldigde intresten op het ontleende kapitaal buiten beschouwing.
Appellante kan immers geen vergoeding vragen voor de intresten betaald door de gemeenschap. Het betreft een schuld die definitief ten laste van de gemeenschap valt en dus zonder vergoedingsrecht voor de gemeenschap (artikel 1408, vijfde streepje B.W.).
Intresten van eigen schulden komen niet in aanmerking voor vergoedingsrekeningen, nu de gemeenschap ook definitief (d.w.z. zonder vergoedingsplicht) het genot heeft van de eigen goederen van de beide echtgenoten (artikel 1405, 2° BW).

3.1.3.3. Bij de vergoedingsrekeningen komt uitsluitend de verarming in aanmerking in de periode tussen enerzijds de datum van het huwelijk en anderzijds de datum van de inleiding van de eerste dagvaarding tot echtscheiding (artikel 1278, lid 2 en 3 Ger. W.) en dus niet, zoals appellante voorhoudt, de veel latere datum van de verdeling of de datum van de verkoop van de woning op 24 september 2003.

3.1.3.4. De standpunten ingenomen door appellante zijn desbetreffend strijdig met de principes van de terugwerkende kracht van de echtscheiding op vermogensvlak (artikel 1278, lid 2 en 3 Ger. W.).
De herwaarderingsregel van artikel 1435 B.W. is in deze immers niet van toepassing - zoals geïntimeerde overigens terecht stelt in zijn syntheseconclusie - nu de gemeenschap aflossingen deed voor een eigen leningsschuld van de echtgenoot uitgedrukt in nominale waarde.
De vergoeding dient derhalve bepaald te worden in functie van de nominale waarde van het kapitaal van de aflossingen van de lening gedurende een periode van 123 maanden.

3.1.3.5. De eerste rechter besliste derhalve terecht dat er een vergoedingsplicht is van geïntimeerde ten voordele van de gemeenschap omwille van het aflossen door de gemeenschap, gedurende 123 maanden van het kapitaal - maar niet voor de intresten - van de eigen schuld van geïntimeerde (= lening aangegaan vóór het huwelijk) met gemene gelden en dat de notaris zijn ontwerp van vereffening - verdeling op dat punt diende aan te passen.
Vermits in deze geïntimeerde voormeld onroerend goed bezat vóór het huwelijk en de lening afsloot vóór het huwelijk, is de betaling tijdens het huwelijk door de gemeenschap, van de eigen geldschuld, qua kapitaal maar niet qua intresten, te vergoeden, in acht genomen het nominale bedrag. Er werd immers geen lening tijdens het huwelijk gesloten voor de aankoop van een eigen goed door een echtgenoot.

3.1.3.6. De eerste rechter oordeelde even terecht dat deze vergoedingen intresten opbrengen vanaf 17 juni 1999 aan de wettelijke intrestvoet bij toepassing van de artikelen 1436 B.W. en van 1278, lid 2 en 3 Ger. W.
In acht genomen artikel 1405, 2° B.W. oordeelde de eerste rechter ook terecht dat voor de tijdens het huwelijk ontvangen huurinkomsten er geen vergoeding verschuldigd is.

3.1.3.7. Het bestreden vonnis wordt op al de voornoemde punten eveneens bevestigd, wat inhoudt dat de staat van vereffening en verdeling aangepast moet worden in die zin dat er geen vergoedingsplicht is voor de intresten, voortvloeiende uit een eigen schuld van geïntimeerde, die betaald werden door de gemeenschap.

3.2. De woning te T., ...straat 59 (= onroerend goed gebouwd op grond aangekocht door geïntimeerde vóór het huwelijk):

3.2.1. De rechtsgeldigheid van artikel 9, alinea 3 van het huwelijkscontract:

3.2.1.1. Appellante stelt vooreerst de geldigheid van artikel 9, alinea 3 van het huwelijkscontract in vraag betreffende bepaalde modaliteiten van het in artikel 8 bedongen opstalrecht ten voordele van de gemeenschap.
Appellante houdt voor dat de clausule vervat in artikel 9, alinea 3 van het huwelijkscontract, inzake het lot van het opstalrecht bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding, nietig is omdat het een potestatieve voorwaarde omvat.
Artikel 9, alinea 3 van het huwelijkscontract bepaalt: "In geval van ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen door echtscheiding of door feitelijke scheiding, zal een einde gesteld worden aan de afstand van het recht van natrekking, zodat het woonhuis toekomt aan de heer R. S., mits aan mevrouw M. V. de helft van de waarde van het huis uit te betalen binnen de zes maanden na de ontbinding van de gemeenschap, waarde bepaald door een schatting opgemaakt binnen de drie maanden na de ontbinding van het huwelijk, door een expert, aangesteld door beide partijen."

3.2.1.2. De eerste rechter oordeelde in zijn bestreden vonnis terecht dat niets belet dat aanstaande echtgenoten, gelet op hun contractuele vrijheid, bijzondere bedingen van vereffening - verdeling van de gemeenschapsgoederen inlassen in hun huwelijkscontract die verschillen naargelang de oorzaak van de ontbinding (overlijden dan wel echtscheiding).
Artikel 1174 B.W. bepaalt: "Iedere verbintenis is nietig, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt."
Deze wetsbepaling dient echter op strikte wijze te worden toegepast.
Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds eenvoudig potestatieve voorwaarden en anderzijds zuiver potestatieve voorwaarden waarvan de vervulling alleen afhangt van hij die zich verbindt.
Alleen de zuiver potestatieve voorwaarden brengen de nietigheid in de zin van artikel 1174 B.W. met zich mee.
Voornoemde bepaling is echter niet van toepassing op eenvoudig potestatieve voorwaarden, die naast de wil van de schuldenaar ook de vervulling van andere omstandigheden vereisen.
Geïntimeerde stelt bovendien terecht - en ten overvloede - dat artikel 1174 BW enkel van toepassing kan zijn op opschortende, maar niet op ontbindende voorwaarden. De beëindiging van het opstalrecht bij echtscheiding is geen zuiver potestatieve voorwaarde. Het is ook geen opschortende maar wel een ontbindende voorwaarde.

3.2.1.3. Het huwelijkscontract bevat in deze het verlenen van een zakelijk recht van opstal door geïntimeerde aan de gemeenschap.
Dit opstalrecht wordt beheerst door de wet van 10 januari 1824 betreffende het recht van opstal.
In een contract houdende toekenning van een opstalrecht kunnen andere redenen van het beëindigen van het opstalrecht voorzien worden dan deze voorzien door de opstalwet.

3.2.1.4. Clausules in het huwelijkscontract worden geacht bedingen te bezwarende titel te zijn.
In deze zijn alle bezwaren en opmerkingen op basis van het schenkingsrecht irrelevant, te meer daar er in huidig huwelijkscontract bedingen zijn voorzien omtrent vergoedingen die verschuldigd zijn bij het beëindigen van het opstalrecht. In tegenstelling met wat appellante voorhoudt, werd in het huwelijkscontract immers niet bepaald dat er geen vergoedingen verschuldigd zouden zijn bij het einde van het opstalrecht.

3.2.1.5. De clausules inzake het einde van een opstalrecht kunnen niet gelijkgesteld worden met bedongen rechten van terugname van eigen goederen bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel.
De principes en mechanismen van beide rechtstechnieken zijn verschillend omdat ze beheerst worden enerzijds door de opstalwet, en anderzijds door het huwelijksvermogensrecht.

3.2.1.6. Derhalve is het toestaan van een opstalrecht in een huwelijkscontract met modaliteiten omtrent het einde van het opstalrecht en met een vergoedingsregeling voor opgerichte constructies, niet strijdig met de essentiële beginselen inzake het wettelijk huwelijksvermogensstelsel.

3.2.1.7. Het bestreden vonnis wordt op dit punt ook bevestigd.
Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn verder niet terzake dienend.

3.2.2. Omvang van het aandeel van Mevrouw V. in de verkoopprijs van het huis te T. .

3.2.2.1. Appellante maakt aanspraak op de helft van de waarde van het huis plus grond, berekend op het ogenblik van de verkoop in 2006 tegen de prijs van 345.000,00 euro . Het bedrag van de lening, openstaand op dat moment (2006), trekt zij hiervan af en zij meent finaal recht te hebben op 75.000,00 euro .
Geïntimeerde voert hiertegen aan dat na de echtscheiding het onroerend goed te T., zowel qua grond als qua constructies, zijn exclusieve eigendom is geworden overeenkomstig het huwelijkscontract en meer bepaald voornoemd artikel 9, alinea 3.
Geïntimeerde kan zich niet vinden in de redenering van de eerste rechter waarin rekening wordt gehouden met de waarde van de constructie in 2004 en met het openstaande saldo van de lening in 1999, zijnde vijf jaar voordien. Appellante zou - volgens hem - alleen aanspraak kunnen maken op 24.134, 98 euro . In zijn stelling moet, én voor het openstaande saldo van de lening, én voor de waarde van het huis, én voor de afstand van de helft van deze waarde aan zijn ex-echtgenote, de waarde van 1999 in aanmerking genomen worden gelet op artikel 1278, lid 2 en 3 Ger. W.

3.2.2.2. De eerste rechter oordeelde dat er geen rekening kon worden gehouden met de iets lagere waarde van de bouwgrond door de bebouwing. De eerste rechter oordeelde verder dat het bedrag van de hypothecaire lening moest afgetrokken worden van de woning - zonder grond - omdat enerzijds de lening in 1997 enkel voor de bouw van de constructies (woning) werd aangegaan en omdat anderzijds geïntimeerde de grond reeds aankocht in 1988, dus vóór het sluiten van zijn huwelijk op 9 februari 1989.
De eerste rechter besliste ook dat qua intrest op de vergoeding/oplegsom (n.a.v. het ophouden van het opstalrecht, voor de waarde van de helft van de constructies) appellante recht had op de wettelijke intrest sedert 30 september 2003, overeenkomstig de bepalingen van het huwelijkscontract. Artikel 1436 B.W. werd niet van toepassing geacht op deze som, maar wel de bepalingen van het huwelijkscontract.

3.2.2.3. Het huwelijkscontract bevat in zijn artikel 9, alinea 3 de overeengekomen criteria ter berekening van de omvang van het recht van vergoeding/oplegsom in hoofde van appellante.
Bij het beëindigen van het opstalrecht ingevolge echtscheiding heeft appellante recht op de helft van de waarde van de opgerichte woning - waarbij dus de niet ingebrachte grond buiten beschouwing blijft -.
Artikel 9, alinea 3 van het huwelijkscontract strekt de beide partijen tot wet overeenkomstig artikel 1134, eerste lid, B.W.

3.2.2.4. De waarde van de woning werd geschat door landmeter D.. De eerste rechter oordeelde terecht dat er geen rekening kan worden gehouden met de iets lagere waarde van de bouwgrond door de bebouwing.
De eerste rechter oordeelde tevens terecht dat het bedrag van de hypothecaire lening moet afgetrokken worden van de waarde van de woning - dus zonder de waarde van de grond - omdat de lening in 1997 inderdaad enkel voor de bouw van de woning werd aangegaan en omdat geïntimeerde de grond zelf reeds had gekocht in 1988, dus vóór het sluiten van zijn huwelijk op 9 februari 1989 waardoor die grond steeds zijn eigen goed is gebleven.

3.2.2.5. Artikel 1278, lid 2 en 3 Ger. W. heeft tot gevolg dat de echtscheiding tussen echtgenoten op vermogensrechtelijk vlak terugwerkt tot op de datum van de eerste eis, zijnde 17 juni 1999. In de verhouding tussen de echtgenoten is er bijgevolg geen gemeenschap meer vanaf die datum.
Het conventionele beding inzake de vergoeding bij het einde van de opstal ingevolge echtscheiding der echtgenoten, vervat in het huwelijkscontract onder artikel 9 alinea 3, betreft geen vergoeding in de zin van de artikelen 1432 à 1435 B.W. verschuldigd door het eigen vermogen van een echtgenoot aan de gemeenschap of omgekeerd.
Het betreft daarentegen een schuldvordering tussen de ex-echtgenoten waarbij de gemeenschap niet betrokken is noch als schuldeiser noch als schuldenaar. Het betreft dus een vergoedingsregeling in het kader van het zakenrecht, meer bepaald het opstalrecht, zoals gemoduleerd in het huwelijkscontract.

3.2.2.6. Het is met andere woorden niet zo dat én voor de waarde van de woning én voor de waarde van de vergoeding wegens de schuld, er gerekend dient te worden in functie van het jaar 1999.
Voor de waardebepaling van de woning komt het verslag D. in aanmerking zonder dat er een percentage mag afgedaan worden. De waarde van de woning wordt m.a.w. niet bepaald volgens de verkoopwaarde geldend in 1999, maar wel volgens het beding in het huwelijkscontract dat de partijen tot wet strekt.
De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat op dit punt de staat van vereffening en verdeling bevestigd diende te worden.

3.2.3. De woonstvergoeding met betrekking tot de woning te T.:

3.2.3.1. Appellante werpt desbetreffend op dat:
Zij slechts een woonstvergoeding verschuldigd kan zijn vanaf 1 juli 2003 en niet vanaf 17 juni 1999 gezien het echtscheidingsvonnis eerst op 30 juni 2003 overgeschreven werd in de registers van de burgerlijke stand en de hulpplicht tussen echtgenoten bij toepassing van art. 213 B.W. blijft bestaan zolang het huwelijk bestaat;
Zij maar de helft van de huurwaarde zou verschuldigd zijn;
Ingevolge het bouwen van een woning op de eigen grond van geïntimeerde die afstand deed van het recht van natrekking, haar een opleg toekomt die wettelijke intrest opbrengt vanaf 30 september 2003 - gelet op de bepalingen van het huwelijkscontract - en dat zij in dergelijk geval geen woonstvergoeding verschuldigd is.

3.2.3.2. De rechtbank oordeelde dat:
Appellante een woonstvergoeding - gelijk aan de volledige huurwaarde van het pand - verschuldigd was vanaf de inleiding van de eerste echtscheidingseis op 17 juni 1999 tot 21 augustus 2005 (= datum van het vertrek van appellante uit het pand);
De voorlopige maatregelen van de voorzitter van de rechtbank waarin beslist werd welk van de beide echtgenoten in deze woning mocht blijven wonen tijdens de echtscheidingsprocedure aan de verplichting tot het betalen van een woonstvergoeding niets veranderde nu uit die voorlopige maatregelen niet kon afgeleid worden dat de terbeschikkingsstelling van de woning een onderdeel van de hulpplicht van geïntimeerde jegens zijn echtgenote zou uitmaken;
Op deze woonstvergoeding intresten verschuldigd waren vanaf het afsluiten van de vereffening - verdeling en dat artikel 1436 BW niet toepasselijk was op de woonstvergoeding;
De staat van vereffening en verdeling moest aangepast worden in die zin dat appellante een woonstvergoeding verschuldigd was vanaf 17 juni 1999 tot 21 augustus 2005.

3.2.3.3. Gelet op artikel 1278, lid 2 en 3 Ger. W. inzake de terugwerkende kracht van de echtscheiding, op het vlak van de vermogens, in de verhouding tussen echtgenoten, en tevens gelet op artikel 577-2 BW inzake de gewone mede-eigendom, heeft de eerste rechter terecht beslist dat vanaf de inleiding van de eerste echtscheidingseis op 17 juni 1999 door appellante een woonstvergoeding verschuldigd was nu de opgerichte woning, ingevolge de afstand van het recht van natrekking vervat in hun huwelijkscontract, toebehoort aan de gemeenschap tot aan de ontbinding ervan door echtscheiding en het pand uitsluitend door haar alleen bewoond werd.
De voorlopige maatregel van de voorzitter die beslist heeft wie deze woning mocht bewonen tijdens de echtscheidingsprocedure, zijnde appellante, verandert hieraan inderdaad niets, nu uit deze beschikking niet kan afgeleid worden dat het ter beschikking stellen van de woning een onderdeel van de uitvoering van de echtelijke hulpplicht in natura door geïntimeerde zou vormen.
Het bedrag van de woonstvergoeding bedraagt 100% van de normale huurwaarde van de woning.
De bepaling van de woonstvergoeding maakt deel uit, niet van de ontbonden te vereffenen en te verdelen gemeenschap, maar wel van het opmaken van de beheersrekening met betrekking tot de postcommunautaire onverdeeldheid.
De woonstvergoeding of bezettingsvergoeding is bijgevolg geen vergoeding in de zin van artikel 1436 B.W. en brengt derhalve geenszins van rechtswege intrest op. De intresten erop zijn verschuldigd vanaf de dag van het afsluiten van de vereffening en verdeling.
Appellante trekt bovendien een verkeerde gevolgtrekking uit het bestreden vonnis. De eerste rechter heeft niet voor recht gezegd dat het opstalrecht retroactief ophoudt vanaf de datum van de inleiding van de eerste echtscheidingseis (17 juni 1999). Haar kritiek en gevolgtrekkingen in haar syntheseconclusie zijn dan ook ongegrond. Het is immers niet tegenstrijdig te oordelen - in tegenstelling met wat appellante voorhoudt - dat enerzijds bij het einde van het opstalrecht, de echtgenote recht heeft op de helft van de waarde van de constructies na deskundig verslag - zoals bedongen werd in het huwelijkscontract - en anderzijds dat zij een woonstvergoeding verschuldigd is vanaf 17 juni 1999 tot op de dag waarop ze de woning verliet.

3.2.3.4. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin beslist werd dat de staat van vereffening diende aangepast te worden in die zin dat appellante een woonstvergoeding verschuldigd is vanaf 17 juni 1999 tot 21 augustus 2005.

3.3. Wat de groepsverzekering betreft:

3.3.1. Appellante meent dat zij recht heeft op vergoeding, te berekenen met inachtneming van de datum van de overschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand op 12 juni 2003.
Zij meent verder dat het niet opgaat rekening te houden met een belasting aan 33% gezien in de veronderstelling dat geïntimeerde zijn verzekering zou optrekken na 65 jaar, hij alsdan slechts 10% belasting zal verschuldigd zijn.
Appellante maakt volgens haar laatste conclusie geen aanspraak meer op intresten.
3.3.2. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis wat de groepsverzekeringsproblematiek betreft.

3.3.3. Appellante stelt ten onrechte dat zij recht heeft op vergoeding, in acht genomen de datum van de overschrijving van het vonnis op 12 juni 2003.
Deze stelling miskent de terugwerkende kracht van de echtscheiding op het vlak der vermogens tussen echtgenoten, nu de datum van de inleiding van de eerste echtscheidingseis ook geldt, in de verhouding tussen de echtgenoten, voor de duur van de gemeenschap die slechts tot deze datum blijft bestaan (= 17 juni 1999) ingevolge art. 1278, lid 2 en 3 Ger. W.

3.3.4. Appellante stelt tevens ten onrechte dat het niet opgaat rekening te houden met een belasting aan 33%. Immers, bij de vereffening van de gemeenschap dient men rekening te houden met de elementen en omstandigheden geldend op dat ogenblik. Geïntimeerde kan niet verplicht worden, rechtstreeks of onrechtstreeks, om het kapitaal slechts op te trekken na zijn 65 jaar des te meer omdat niet eens vaststaat of hij die leeftijd wel zal halen.
De fiscale tarieven kunnen bovendien in de toekomst gewijzigd worden door de wetgever. Derhalve kan er in de huidige stand der zaken slechts rekening gehouden worden met het fiscale tarief van 33%.

3.3.5. De eerste rechter oordeelde terecht dat het afkooprecht een eigen goed is, maar de afkoopwaarde gemeenschappelijk. De eerste rechter stelde verder terecht dat het feit dat er niet uitbetaald werd tijdens het huwelijk en het feit dat de verzekering afgesloten is door de ex-werkgever van geïntimeerde geen afbreuk doen aan de vergoedingsplicht. Het kapitaal zal aan geïntimeerde persoonlijk uitbetaald worden. Het bedrag van de vergoeding ten laste van geïntimeerde ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen, moet gelijk zijn aan de vermogenswaarde die gelijk is aan de huidige afkoopwaarde, die, zelfs als ze nog niet mag opgetrokken worden zoals bij een groepsverzekering, alsdan rekenkundig wordt bepaald en in de massa wordt opgenomen.
Gelet op het stuk 13 van het dossier van geïntimeerde, hield de boedelnotaris terecht rekening met het bedrag van 23.887,90 euro (= toepassing van artikel 1278, lid 2 en 3 Ger. W.: bedrag in functie van de datum van de eerste dagvaarding ).

3.3.6. Terecht oordeelde de eerste rechter dat de staat van vereffening en verdeling op dat punt diende bevestigd te worden.

3.4. Teruggave van 700.000 BEF (= eigen gelden van appellante):

3.4.1. De eerste rechter stelde vast dat er niet betwist werd dat appellante in 1992 en 1993 tweemaal een bedrag van telkens 350.000 BEF heeft ontvangen op haar rekening maar dat zij niet bewees dat deze gelden in de gemeenschap werden opgenomen en aangewend werden voor gemeenschappelijke doeleinden.

Om deze reden werd haar geen vergoeding toegekend voor deze post.

De boedelnotaris was de tegenovergestelde mening toegedaan. Hij was van oordeel dat appellante wel recht had op vergoeding omdat de eigen gelden met gemeenschappelijke goederen werden vermengd.

3.4.2. Er is in deze duidelijk een feitelijke vermenging van persoonlijke met gemene gelden op de bankrekening nr. 785-5403976-14, zodat de persoonlijke gelden (700.000 BEF in totaal) ingevolge deze feitelijke vermenging met gemene gelden op deze bankrekening gemeenschappelijk zijn geworden.
De echtgenoot wiens eigen gelden vermengd worden met gemene gelden mag, bij de ontbinding van de gemeenschap, deze gelden terugvragen in het kader van de vergoedingsrekeningen, mits het bewijs te leveren van deze vermenging.
De storting van gelden op een bankrekening waarop reeds gelden van de gemeenschap staan - en zelfs al staat de bankrekening op naam van één echtgenoot maakt dat van de bankrekening nog geen eigen goed - brengt vermenging der gelden met zich mee, waardoor de eigen gelden opgeslorpt worden door de gemene gelden en zodoende ook gemeen worden onder last van vergoeding.
De gelden gestort aan appellante zouden alleen dan eigen goed blijven, wanneer ze zouden gestort zijn op een geïndividualiseerde (gebleven) bankrekening, zodat er geen vermenging plaatsgreep. Blijkens het overzicht van de verrichtingen op de rekening met voormeld nummer blijkt afdoend dat deze rekening kennelijk geen geïndividualiseerde rekening was.

3.4.3. Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd en het advies van de boedelnotaris wordt op dat punt bijgetreden.

3.5. Wat de roerende goederen betreft: de meubels alsook de mobilhome en de auto's L. en G.C.:

3.5.1. Vergoeding voor de meubels (geschat op 5.187,50 euro ) in het huis te T., de mobilhome en de wagens:

3.5.1.1. De eerste rechter oordeelde enerzijds dat de gebruiksvergoeding voor de inboedel, inclusief de wagen L. Ypsilon, naar billijkheid geraamd kon worden op 30 euro per maand vanaf 17 juni 1999 tot op de datum van de effectieve overname van deze goederen en dat op dat punt de staat van vereffening diende aangevuld te worden.
Hij besliste anderzijds dat geen vergoeding verschuldigd was door appellante voor de overname van de L. gezien de geringe waarde ervan op dat ogenblik en dat met het voertuig G.C. geen rekening mocht gehouden worden gezien het om een leasingvoertuig ging.

3.5.1.2. De eerste rechter oordeelde terecht dat geen vergoeding verschuldigd was aan appellante voor haar aandeel in de opbrengst van de mobilhome - appellante vroeg hiervoor een bedrag van 6.197 euro - omdat geïntimeerde met die verkoopprijs de afbetalingsovereenkomst van dit voertuig heeft terugbetaald.
Het hof bevestigt de beslissing van de eerste rechter dat geen deskundige dient aangesteld te worden om de waarde van welk danige goederen ook te bepalen gezien de boedelnotaris zich perfect van deze taak heeft gekweten.

3.5.1.3. Het bestreden vonnis wordt voor wat al de voornoemde punten betreft bevestigd.

3.5.2. De verdeling van de meubels:

3.5.2.1. De boedelnotaris oordeelde dat appellante nog een vergoeding verschuldigd is ten beloop van 932,50 euro aan haar echtgenoot, zijnde de helft van het verschil in de waarde van de meubels meegenomen door de respectieve echtgenoten (5.187,50 (= waarde meubels) - 3.322,50 (= waarde meegenomen meubels) = 1.865,00 : 2 = 932,50 euro).

3.5.2.2. De eerste rechter heeft terecht het standpunt van de boedelnotaris onderschreven en het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.


3.6. Intresten op het geblokkeerde deel van de verkoopprijs van de woning te T. en de schade aan deze woning aangebracht door Mevrouw V.:

3.6.1. Intresten van het geblokkeerde deel van de verkoopprijs van de woning te T.:

3.6.1.1. De eerste rechter oordeelde dat de door geïntimeerde toegestane blokkering van 60.000 euro (= deel van de verkoopprijs van het huis te T.) geen recht op intresten deed ontstaan en dat geïntimeerde derhalve geen recht had op 7% intresten op dit bedrag.
Appellante stelt dat het incidenteel beroep van geïntimeerde m.b.t. de intresten op het geblokkeerde bedrag afgewezen moet worden gezien hij onmiddellijk over de 290.000 euro van de 350.000 euro kon beschikken.

3.6.1.2. De verkoper dient zich te wenden tot de notaris voor de intrest op een bij de notaris geblokkeerd bedrag dat gerubriceerd werd en een kleine wettelijk vastgestelde intrest opbrengt ten voordele van de eigenaar van de geblokkeerde geldsom.
De wettelijke bepalingen inzake de notariële boekhouding en rubricering van geldsommen zijn terzake van toepassing.

3.6.1.3. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin het recht ontzegd wordt aan geïntimeerde om aanspraak te maken op de wettelijke intrestvoet van 7%.

3.6.2. De schade toegebracht door Mevrouw V. aan deze woning:

3.6.2.1. Wat de beweerde schade betreft ingevolge slecht onderhoud en verwaarlozing door appellante bewijst geïntimeerde niet dat deze zogenaamde schade een weerslag zou hebben gehad op de verkoopprijs van het huis te T..

3.7. Eindconclusie:

3.7.1. In het bestreden vonnis wordt terecht gesteld dat het de rechtbank niet toekomt om zelf opnieuw de rekeningen tussen de partijen op te maken en de eerste rechter heeft dan ook even terecht de zaak terug naar de notaris verwezen om een aangepaste staat van vereffening en verdeling op te maken, rekening houdend met de inhoud van het vonnis.

3.7.2. Het komt thans ook aan het hof niet toe om zelf opnieuw de rekeningen tussen de partijen op de maken zodat de zaak terug verwezen wordt naar de notaris die een aangepaste staat van vereffening en verdeling zal opmaken en daarbij rekening zal houden zowel met de inhoud van het bestreden vonnis als met dit van onderhavig arrest in de mate dat het bestreden vonnis gedeeltelijk hervormd wordt.

3.8. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft:
(...)

OM DEZE REDENEN
HET HOF,
(...)
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna volgende mate.
Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat appellante wel recht heeft op een vergoeding voor eigen gelden t.b.v. 700.000 BEF of 17.352,55 euro en er desbetreffend bijgevolg geen wijziging dient te gebeuren van de staat van vereffening en verdeling.


Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 9 november 2010.
Waar aanwezig waren:
Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,
Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,
Mevr. M. De Witte, plaatsvervangend Raadsheer,
Mevr. B. Heymans, Griffier.