Uitbreiding vordering naar later ongeval onontvankelijk



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Nieuwe tussenvordering

Uitspraak

Hof van Cassatie 8 januari 1998

HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 12 november 1993 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt dient te worden geïnterpreteerd en enkel kan afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn, beginsel waarvan OM artikel 1045, Ger. W. een toepassing uitmaakt en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet,
doordat het Hof van Beroep te Gent, na beslist te hebben dat "Er geen twijfel (kan) over bestaan dat (verweerder) de verkeerde klasse heeft aangestipt", niettemin de tegenvordering van eiseres tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst op grond van verzwijging in de zin van artikel 9 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874, ongegrond verklaart op grond van de volgende overwegingen :
"Waar (eiseres) voorhoudt dat haar tegenvordering moest gegrond verklaard worden omdat de voorwaarden voor toepassing van artikel 9 van de wet van 11 juni 1874 vervuld zijn, gaat ze voorbij aan het standpunt dat ze na afsluiting van het administratief onderzoek heeft ingenomen en waarin zij luidens haar brieven van 22.02.1990 en 06.03.1990 is blijven volharden. Dat standpunt is geen uiting van de wil om een regeling te treffen uit commerciële overwegingen, maar is de uitdrukking van de wil om een conversie te doen van een nietige rechtshandeling in een geldige rechtshandeling, gebruikmakend van de contractuele bepaling van artikel 9, tweede lid van de polis en van het feit dat (verweerder) bij het voorstel kennis nam van de tarief, die op elke klasse van toepassing is. Deze handelswijze sluit impliciet maar zeker de wil in om te verzaken aan de zware nietigheidssanctie, voorzien in de wet van 11 juni 1874. Gelet op deze onvoorwaardelijke verzaking is de tegenvordering terecht afgewezen als ongegrond.
Uit het hogerstaande, uit het innen van de haalbare premies en uit het feit dat het bijvoegsel van 02.07.1991, waarin gezegd werd dat de verzekering in al haar uitwerking vernietigd werd vanaf 14.01.1991, het onvoorwaardelijk voortbestaan van het contract zonder meer bevestigt, volgt dat (eiseres) aanvaard heeft het risico te dekken van (verweerder) als iemand die geregeld aan handenarbeid doet maar dan met herleiding van de gewaarborgde sommen, gelet op de inachtneming van de verhouding tussen premie van het contract en de premie die voor klasse 5 moest aangerekend worden",
terwijl afstand van recht niet vermoed wordt, strikt dient te worden geïnterpreteerd en enkel kan afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn; de in het arrest vermelde omstandigheden, zijnde het dadingsvoorstel van eiseres dat werd verworpen, de betaling der premies door verweerder op een moment dat reeds een vordering was ingeleid tussen partijen waarin eiseres in limine litis de nietigverklaring vorderde van de verzekeringsovereenkomst en tenslotte "het bijvoegsel van 02.07.91, waarin gezegd wordt dat de verzekering in al haar uitwerking vernietigd werd vanaf 14.01.1991", allen omstandigheden zijn die voor een andere interpretatie dan als afstand van recht vatbaar waren; minstens niet valt te achterhalen of de feitenrechter heeft nagegaan of er geen andere uitlegging mogelijk was van de betrokken omstandigheden en hij dus heeft vastgesteld dat de ingeroepen feiten enkel als afstand konden uitgelegd worden, zodat Uw Hof haar wettigheidstoezicht op deze beslissing niet kan uitoefenen,
zodat de appelrechters, door de afstand van recht af te leiden uit omstandigheden die vatbaar zijn voor een andere interpretatie, of minstens, uit omstandigheden waarvan zij niet hebben nagegaan of deze slechts voor een uitlegging vatbaar waren, het beginsel hebben geschonden waar volgens afstand van recht strikt dient te worden geïnterpreteerd en enkel kan afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn en aldus hun beslissingen niet wettig gemotiveerd hebben (schending van alle hierboven aangehaalde bepalingen) :
Overwegende dat het arrest op grond van de feitelijke gegevens die het aangeeft, in feite oordeelt dat het standpunt dat eiseres heeft aangenomen "de uitdrukking is van de wil om een conversie te doen van een nietige rechtshandeling in een geldige rechtshandeling" en dat "deze handelswijze (...) impliciet maar zeker de wil (insluit) om te verzaken aan de zware nietigheidssanctie, voorzien in de wet van 11 juni 1874";
Dat het arrest aldus onderzoekt en vaststelt dat de bedoelde feiten voor geen andere uitlegging dan een onvoorwaardelijke verzaking vatbaar waren en uit de gebleken wil van conversie van een nietige rechtshandeling in een geldige rechtshandeling heeft kunnen afleiden dat eiseres de nietigheidssanctie heeft verzaakt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het Hof van Beroep te Brussel bij het bestreden arrest, met bevestiging van het vonnis a quo, de tussenvordering van verweerder m.b.t. het tweede schadegeval ontvankelijk verklaart onder meer op de volgende gronden :
"Ten onrechte meent (eiseres) dat de tussenvordering m.b.t. tweede schadegeval niet toelaatbaar is.
De wanprestatie van (eiseres) om de in de polis bepaalde bedragen uit te keren in geval van ongeval, is het in de dagvaarding aangevoerd feit, dat ten grondslag ligt van de oorspronkelijke vordering en waarop de uitbreiding van de vordering berust. Terecht heeft de eerste rechter in toepassing van artikel 807 GerW. toegelaten dat (verweerder) zijn vordering uitbreidde",
terwijl, eerste onderdeel, ingevolge artikel 807 GerW. een vordering kan worden gewijzigd of uitgebreid indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd; overeenkomstig de rechtspraak van uw Hof, met "feit of akte" in de zin van artikel 807 GerW. wordt bedoeld het geheel van de aan de vordering ten grondslag liggende feiten en handelingen of nog een handeling in de dagvaarding aangevoerd; het feit in de dagvaarding het ongeval is van 2 oktober 1989 dat verweerder is overkomen en niet eender welk ongeval in het algemeen; de verzekeringsovereenkomst niet het feit is waarop de eerste vordering is gebaseerd en de verzekeringsovereenkomst dan ook niet volstaat als feit voor een vordering gebaseerd op uit een nieuw ongeval, na het inleiden van de eerste vordering,
zodat het bestreden arrest dat beslist dat de uitbreiding van de vordering m.b.t. het tweede schadegeval toelaatbaar was, hoewel dit feit niet vermeld was in de dagvaarding, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 807 GerW.);
terwijl, tweede onderdeel, uit de uitdrukkelijke bewoordingen van het exploot van dagvaarding duidelijk blijkt dat de vordering was gebaseerd op een ongeval van 02.10.1989 en niet op eender welk ongeval;
en het arrest, door te beslissen dat de wanprestatie van eiseres om de in de polis bepaalde bedragen uit te keren in geval van ongeval, het in de dagvaarding aangevoerd feit is, een interpretatie geeft aan de bewoordingen van de dagvaarding die daarmee niet te verenigen valt,
zodat het de bewijskracht ervan schendt (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat ingevolge artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, een vordering kan worden uitgebreid of gewijzigd indien de nieuwe of op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of op een akte, dit is een handeling, in de dagvaarding aangevoerd;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het feit dat in de dagvaarding is aangevoerd en waarop de vordering van verweerder is gebaseerd, de verzekeringsovereenkomst is op grond waarvan verweerder de schadeloosstelling vroeg van het ongeval van 2 oktober 1989;
Dat hieruit eveneens blijkt dat verweerder zijn vordering uitbreidde voor de eerste rechter en schadeloosstelling vroeg voor een later ongeval dat geen verband hield met het eerste ongeval;
Dat de appelrechters niet vermochten te beslissen, op grond van die gegevens, dat de nieuwe conclusies berustten op een handeling in de dagvaarding aangevoerd;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat het tweede onderdeel niet tot ruimere cassatie kan leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de verplichtingen van eiseres met betrekking tot de gevolgen van het ongeval van 13 maart 1991 en uitspraak doet over de kosten;
Verwerpt de voorziening voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt eiseres in de helft van de kosten;
Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.