Vals buitenlands rijbewijs



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Valsheid in geschrifte

Uitspraak

Cass. 25 november 2014

Nr. P.12.2039.N

F E L,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 3 december 2012.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert in de aanhef schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, de artikelen 9.1, 14.2 en 15 IVBPR, de artikelen 10, 11, 12, 14 en 149 Grondwet, de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek, de artikelen 21, 23, 26 en 30 Wegverkeerswet, de artikelen 3, 5, 17 en 27 koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs) en hoofdstuk 34 van de omzendbrief van de fod Mobiliteit aan de gemeentebesturen betreffende het rijbewijs, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, het legaliteitsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel "nullum crimen sine lege, nulla poena sine lege" en het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en de soevereiniteit van de vreemde Staat en de Belgische Staat.

2. In zoverre het middel in de onderdelen op geen enkele wijze preciseert hoe en waardoor het arrest artikel 7 EVRM, de artikelen 9.1, 14.2 en 15 IVBPR en de artikelen 10, 11, 12 en 14 Grondwet schendt en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, het legaliteitsbeginsel en het algemeen rechtsbegin-sel "nullum crimen sine lege, nulla poena sine lege" miskent, is het onduidelijk, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 210 Wetboek van Strafvordering: door de overweging zonder verdere toelichting dat de grieven niet dienend zijn en door het hernemen van de redenen van het beroe-pen vonnis, geeft het arrest geen passend antwoord op eisers verweer met betrek-king tot de miskenning van de soevereiniteit van de vreemde Staat en de Belgi-sche Staat door het toekennen van extraterritoriale gevolgen aan een Congolees rijbewijs.

4. Een ontoereikend antwoord levert geen schending op van artikel 149 Grondwet, dat alleen een vormvereiste oplegt en geen verband houdt met de in-houd van het op een conclusie gegeven antwoord.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek: het arrest beslist dat een Congolees rijbewijs een in België strafrechtelijk beschermd geschrift is op grond van de enkele overweging dat een rijbewijs ertoe strekt de kennis en de kunde van de bestuurder te bewijzen en kent aldus ten onrechte extraterritoriale gevolgen toe aan een Congolees rijbewijs dat op grond van de soevereiniteit van de vreemde Staat alleen geldig is op het grond-gebied van die Staat.

6. Artikel 23, § 2, 1°, Wegverkeerswet bepaalt dat de verzoeker die een geldig nationaal buitenlands rijbewijs overlegt dat is afgegeven overeenkomstig de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn of waarvan de geldigheid is erkend krachtens door de Koning afgesloten akkoorden, vrijge-steld is van de in § 1, 2°, 3° en 4°, van dat artikel bedoelde examens waaraan moet worden voldaan om een Belgisch rijbewijs te verkrijgen. De Koning kan deze vrijstelling afhankelijk maken van voorwaarden inzake het verblijf van de verzoe-ker in de Staat die het rijbewijs heeft afgegeven. Aldus kan een buitenlands rijbewijs ook juridische gevolgen hebben in België en een strafrechtelijk beschermd geschrift zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. De appelrechters oordelen dat:
- het door de eiser voorgelegde document geen persoonlijke bewering of attesta-tie van de eiser is, maar een document dat geacht wordt te zijn afgeleverd door de Congolese overheid en waaruit moet blijken dat de houder ervan zich bij voorbeeld onder meer met een auto in het verkeer kan of mag begeven;
- een rijbewijs een document is dat een maatschappelijke bewijswaarde heeft met betrekking tot een rechtens relevant feit, namelijk de kennis van verkeers-regels en het hebben van rij- en stuurvaardigheid en een intrinsieke geloof-waardigheid heeft in het maatschappelijk verkeer;
- de omstandigheid dat in de omwisselingsprocedure een controle en echtheids-onderzoek is voorzien, geen afbreuk doet aan het feit dat dergelijk document een strafrechtelijk beschermd geschrift is.
Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde en vierde onderdeel

8. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek, de artikelen 21, 23, 26 en 30 Wegverkeerswet, de arti-kelen 3, 5, 17 en 27 KB Rijbewijs en de bepalingen van hoofdstuk 34 omzend-brief van de fod Mobiliteit aan de gemeentebesturen betreffende het rijbewijs: het arrest oordeelt ten onrechte dat een Congolees rijbewijs een in België strafrechte-lijk beschermd geschrift is; de echtheid van een Congolees rijbewijs wordt slechts aangenomen onder voorbehoud van controle en na een verplicht politioneel echt-heidsonderzoek, zoals voorgeschreven door voormelde omzendbrief van de fod Mobiliteit; bovendien heeft dergelijk rijbewijs dat aan geldigverklaring is onder-worpen, geen enkele bewijskracht in België; het dringt zich bijgevolg niet op aan het openbaar vertrouwen.
Het vierde onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek: het arrest beslist dat een Congolees rijbewijs een in België strafrechtelijk beschermd geschrift is op grond van de overweging dat er minstens sprake is van een schijn van waarachtigheid en dat de valsheid van het rijbewijs door het stadsbestuur weliswaar reeds meteen kon worden vermoed, maar pas achteraf met zekerheid kon worden vastgesteld na de opgedane ondervinding door een ervaren gespecialiseerde politiedienst; op die grond is de beslissing dat het voormelde rijbewijs wettelijke bescherming geniet, niet naar recht verantwoord.

9. De miskenning van een ministeriële omzendbrief geeft geen aanleiding tot cassatie.
In zoverre het derde onderdeel schending van de bepalingen van hoofdstuk 34 van de omzendbrief van de fod Mobiliteit aanvoert, is het niet ontvankelijk.

10. Het misdrijf gebruik van valse stukken zoals bedoeld in de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek, bestaat erin gebruik te maken van een door de wet beschermd geschrift, waarin met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de waarheid wordt vermomd op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.
Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het juridisch feit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.

11. Artikel 23, § 2, 1°, Wegverkeerswet bepaalt dat de verzoeker die een geldig nationaal buitenlands rijbewijs overlegt dat is afgegeven overeenkomstig de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn of waarvan de geldigheid is erkend krachtens door de Koning afgesloten akkoorden, vrijge-steld is van de in § 1, 2°, 3° en 4°, van dat artikel bedoelde examens waaraan moet worden voldaan om een Belgisch rijbewijs te verkrijgen. De Koning kan deze vrijstelling afhankelijk maken van voorwaarden inzake het verblijf van de verzoe-ker in de Staat die het rijbewijs heeft afgegeven.

12. Een buitenlands rijbewijs dat met het oog op het verkrijgen van een Belgisch rijbewijs wordt voorgelegd aan de Belgische overheid, voor wie het in de regel onmogelijk is om het onmiddellijk op zijn echtheid te controleren, strekt in zekere mate tot bewijs van wat erin wordt vermeld of vastgesteld.
De omstandigheid dat de overheid nadien bij controle heeft kunnen vaststellen dat het voorgelegde document vals is, belet de rechter niet te oordelen dat het een strafrechtelijk beschermd geschrift is in de zin van de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek en een waarheidsvermomming bevat.
In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.

13. Met de in antwoord op het tweede onderdeel van dit middel vermelde rede-nen verantwoorden de appelrechters aldus hun beslissing naar recht.
In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.

Tweede middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11, 12 en 149 Grondwet en de artikelen 2 en 11 Gerechtelijk Wetboek, evenals misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op wapengelijkheid en het vermoeden van onschuld: het arrest beslist dat de omstandigheid dat geen specimen van het Congolees rijbewijs in het dossier voorligt, niet betekent dat de vaststellingen van de federale politie onjuist of onwaar zijn; door aldus de overlegging te weigeren van een specimen van een Congolees rijbewijs of enig ander stuk dat de bevindin-gen van het echtheidsonderzoek staaft, plaatst het de eiser in de volstrekte onmo-gelijkheid om de authenticiteit en de kwaliteit van het bewijs te betwisten; uit het arrest blijkt niet of en hoe de appelrechters bij gebreke aan voormelde stukken de materiële valsheid zelf hebben kunnen beoordelen.

15. In zoverre het middel op geen enkele wijze preciseert hoe en waardoor het arrest de artikelen 10, 11 en 12 Grondwet schendt, is het onduidelijk, mitsdien niet ontvankelijk.

16. De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van een door een partij gedaan verzoek tot het laten voegen bij het dossier van bepaalde stukken. De enkele omstandigheid dat de rechter een dergelijk verzoek weigert omdat hij dit voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk acht, levert geen miskenning van het recht van verdediging op. De vraag of een partij toegang moet kunnen hebben tot stukken die een andere partij eventueel zou kunnen verkrijgen, maar aan de rechter niet worden voorgelegd en in het proces niet worden gebruikt, is vreemd aan de processuele gelijk-heid voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering. Die gelijkheid tussen de partijen houdt enkel in dat elke partij in het proces voor de rechter die kennisneemt van de zaak, dezelfde processuele middelen kan aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd. In zoverre faalt het middel naar recht.

17. De appelrechters stellen onaantastbaar vast en oordelen dat:
- het echtheidsonderzoek gebeurde door een gespecialiseerde dienst van de fe-derale politie, namelijk de Centrale Dienst ter Bestrijding van Valsheden;
- deze dienst voor haar onderzoek onder meer steunde op een specimen van een Congolees rijbewijs;
- er geen reden is om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze dienst en haar opgedane ondervindingen en vaststellingen na onderzoek van het door de eiser aangewende document;
- de eiser over deze ondervindingen en vaststellingen tegenspraak heeft kunnen voeren;
- uit de eerste vaststellingen van het echtheidsonderzoek reeds gebleken is dat het onderzochte document een totale namaking betreft door middel van een kleurenkopie.
Aldus oordelen de appelrechters dat de door de eiser gevraagde voeging van een specimen van een Congolees rijbewijs niet nuttig of nodig is voor de beoordeling van de zaak aangezien er geen reden is om te twijfelen aan de vaststellingen van de voormelde gespecialiseerde dienst.
Door op die gronden niet in te gaan op eisers verzoek, miskennen de appelrechters eisers recht van verdediging en recht op een eerlijk proces niet.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

18. Door zich te steunen op de vaststellingen van technische aard van de voor-melde gespecialiseerde dienst van de federale politie bij de beoordeling van de materiële valsheid van het door de eiser aangewende stuk, dragen de appelrechters hun rechtsmacht met betrekking tot de beoordeling van eisers schuld aan het hem ten laste gelegde feit van gebruik van een vals stuk niet over aan die dienst.
In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.

Derde middel

19. Het middel voert in de aanhef schending aan van artikel 6 EVRM en de ar-tikelen 10, 11, 12 en 149 Grondwet, evenals miskenning van het algemeen rechts-beginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces.

20. In zoverre het middel in de onderdelen op geen enkele wijze preciseert hoe en waardoor het arrest de artikelen 10, 11 en 12 Grondwet schendt, is het onduidelijk, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat eisers verhoor geen bewijs oplevert, minstens niet zelfbeschuldigend was, anderzijds dat uit eisers verhoor blijkt dat hij onvoldoende op de hoogte was van de vigerende verkeersregels en -tekens.

22. Het is niet tegenstrijdig, eensdeels met overname van de redenen van het be-roepen vonnis te oordelen dat de eiser in zijn verhoor enkel een feitelijk relaas gaf en geen enkele bekentenis deed met betrekking tot het hem ten laste gelegde feit van gebruik van een vals stuk, anderdeels vast te stellen dat de eiser "onvoldoende op de hoogte was van de vigerende verkeerregels en -tekens gezien hij op de vraag wat het verkeersbord B3 betekende, volstrekt naast de kwestie antwoordde: ‘je moet opletten voor vliegtuigen'."
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest verklaart de eiser schuldig op grond van bewijselementen die uit zijn verhoor dat met miskenning van de cautieplicht en zonder bijstand van een raadsman werd afgelegd, worden afgeleid.

24. Een middel dat aan de feitenrechter niet is voorgelegd en waarover die op eigen initiatief niet heeft beslist, ook al is het gegrond op een wettelijke bepaling of verdragsbepaling die of op een algemeen rechtsbeginsel dat de openbare orde raakt of van dwingend recht is, kan slechts voor het Hof worden opgeworpen, wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn, blijken uit de bestreden beslissing of uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.

25. De stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, stellen niet vast dat de ei-ser niet geïnformeerd werd over zijn recht op stilzwijgen en zijn recht op bijstand van een advocaat en dat hij bij zijn verhoor niet werd bijgestaan door zijn raadsman.
De eiser heeft zich over de grond van de zaak verdedigd zonder zich op de mis-kenning van voormeld recht dat hij bij de rechter kon aanvoeren, te beroepen.
Het onderdeel is nieuw en derhalve niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 84,21 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, als voorzitter, de raadsheren Pierre Cornelis, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 25 november 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.