Valsheid in geschrifte en obscuri libelli



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Exceptio obscuri libelli

Uitspraak

Antwerpen 5 september 2007

Het Hof van Beroep, zitting houdende,

te Antwerpen, tiende kamer

(...)

Tenlastelegging A : ontvankelijkheid van de strafvordering.

Onder tenlastelegging A worden beide beklaagden vervolgd wegens valsheid in geschriften (A.a) en gebruik van valse stukken (A.b);

Er wordt hen ten laste gelegd voor een aantal met naam genoemde personen valse rekeninguittreksels, ontvangstbewijzen en kasbons te hebben gemaakt "om hen alzo voor te houden dat hun geld belegd werd" en deze stukken ook gebruikt te hebben;

De betrokken rekeninguittreksels, ontvangstbewijzen en kasbons worden in de tenlastelegging niet gespecifieerd, evenmin wordt er verwezen naar stukken uit het strafdossier waarin de betrokken documenten nominatim vermeld worden, zodat niet met zekerheid kan bepaald worden welke rekeninguittreksels, ontvangstbewijzen en kasbons er precies bedoeld worden;

De elementen van het strafdossier laten evenmin toe met zekerheid te bepalen welke rekeninguittreksels, ontvangstbewijzen en kasbons er precies bedoeld worden;

In die omstandigheden is met betrekking tot tenlastelegging A de strafvordering onontvankelijk ingevolge obscuri libelli;

Tenlastelegging C : ontvankelijkheid van de strafvordering.

Onder tenlastelegging C wordt beklaagde P. vervolgd voor feiten van oplichting gepleegd ten nadele van respectievelijk zijn dochter en zijn vader;

Art. 504 juncto art. 462 S.W. verleent aan de er in vermelde daders van diefstal/oplichting een persoonlijke en afdoende immuniteit voor strafvervolging;

Wanneer de strafrechter vaststelt dat een diefstal/oplichting aan één van de in art. 462 S.W. vermelde daders wordt ten laste gelegd, kan hij slechts de strafvordering onontvankelijk verklaren;

Tenlastelegging D : gedeeltelijke ontvankelijkheid van de strafvordering.

Onder tenlastelegging D wordt beklaagde A. vervolgd voor feiten van oplichting gepleegd ten nadele van in art. 462 S.W. voorziene aanverwanten en ten nadele van C.;

Voor zover de feiten zouden gepleegd zijn ten nadele van aanverwanten wordt verwezen naar wat hierboven gesteld wordt betreffende de aan beklaagde P. onder C ten laste gelegde feiten; de strafvordering die betrekking heeft op deze feiten voor zover gepleegd ten nadele van aanverwanten is onontvankelijk;

Ten overstaan van derden geldt evenwel de door art. 504 juncto art. 462 S.W. voorziene strafuitsluiting niet;

Voor zover de betrokken feiten gepleegd zouden zijn ten nadele van Centea is de strafvordering derhalve wel ontvankelijk;

Het Hof is wel degelijk bevoegd om van de aldus beperkte strafvordering kennis te nemen;

(...)