Veroordeling wegens onrechtmatige aanwending pro-deo rechtspleging



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Rechtsmisbruik

Uitspraak

Gent 13 november 2008

EINDARREST
P.D. voor appellante dd. 15.1.2008 (2008/PD/5)

- In de zaak met het rolnummer 2008/AR/205 van:

V.G.,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer dd. 6-11-2007,
- toegelaten tot de RECHTSBIJSTAND

tegen :

V.H.W.,

geïntimeerde,

velt het hof het volgend arrest.


1.

1.1. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 januari 2008, heeft appellante tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een op 24 december 2007 betekend vonnis dat op 6 november 2007 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, vijfde kamer, waarbij geoordeeld werd over de wederzijdse eisen tot preferentiële toewijzing van de gezinswoonst te ....

De eerste rechter kende het recht op de preferentiële toewijzing toe aan geïntimeerde.
Hij heeft ook de verkoop-licitatie bevolen van het andere onroerend goed van partijen, gelegen te ....

De conclusies neergelegd door appellante op 7.04.2008 en de conclusies neergelegd door geïntimeerde op 14 mei 2008 zijn syntheseconclusies die overeenkomstig artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift hoger beroep en de vorige conclusies vervangen.

Appellante legde een stukkenbundel neer met 9 stukken.
Geïntimeerde legde een stukkenbundel neer bestaande uit 3 subkaften; dit is een subkaft I met de stukken 1 tot en met 36, een subkaft II met stukken 1 tot en met 7 en een subkaft III met de stukken van 1 tot en met 3.

1.2. Uit het verzoekschrift tot hoger beroep blijkt dat in beroep het volgende is gevorderd:
"De preferentiële toewijzing van de woning gelegen te ..., aan mevrouw G.V. toe te staan, op basis van de bindende schatting die in gemeen akkoord tussen partijen werd uitgevoerd.
Te zeggen voor recht dat mevrouw G.V. de overnameprijs zoals bepaald in de bindende schatting zal mogen compenseren met haar aandeel dat zij zal ontvangen uit de ontbonden huwgemeenschap naar aanleiding van de verkoop van de woning gelegen te ..., en dus niet in speciën zal moeten voldoen.
De verkoop-licitatie te bevelen van de woning gelegen te ..., teneinde volledig uit onverdeeldheid te treden en mevrouw G.V. toe te laten met de opbrengst de overname van de gezinswoning te voldoen in compensatie.

Hetzelfde is gevorderd in de conclusies van 7 april 2008. Nochtans maakte appellante gewag van een uitbreiding van het hoger beroep. Het blijkt inderdaad dat appellante in haar conclusies een bijkomende wijziging vraagt van het vonnis. Ze stelt immers dat er slechts tot verkoop van het onroerend goed te ... kan worden overgegaan nader er een definitieve beslissing is gevallen met betrekking tot de preferentiële toewijzing van de gezinswoning. Appellante wil enkel instemmen met de verkoop als er duidelijkheid bestaat in verband met de eisen tot preferentiële toewijzing van de gezinswoning.

1.3. Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep betreffende de bevolen verkoop-licitatie van het onroerend goed ... onontvankelijk zou verklaard worden, minstens ongegrond. Hij vraagt dat het oorspronkelijk hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en dat appellante zou veroordeeld worden tot de kosten van de beroepsprocedure begroot op 5.000 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Hij stelde een tegeneis in met het oog op een veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding van 5.000 EUR wegens tergend en roekeloos beroep.

1.4. Onderhavig geding is een tussengeschil in de vereffening en verdeling die is aangebracht door de boedelnotarissen Geertrui Van der Paal en Dirk Smet, die na het opmaken van een proces-verbaal van opening van werkzaamheden d.d. 18 oktober 2005 en een proces-verbaal van voortzetting van werkzaamheden d.d. 29.08.2006 (wegens weigering van appellante ondertekend door notaris L. Vermeulen) over-gingen tot het neerleggen ter griffie van een tussentijds proces-verbaal van beoordeling en advies. Dat proces-verbaal omvat een omstandige toelichting van de problematiek van de wederzijdse vragen tot preferentiële toewijzing en de verkoop van de woning te ..., en een gemotiveerd advies .

De vraag tot preferentiële toewijzing werd door geïntimeerde uitgesproken naar aanleiding van de opening der werkzaamheden.
Door appellante werd dezelfde vraag uitgesproken naar aanleiding van de voortzetting der werkzaamheden, toen werd afgesproken dat elke partij haar argumentatie aan de notarissen zou bezorgen vóór 30.09.2006. Het Hof heeft alleen kennis van een brief van de raadsman van geïntimeerde d.d. 08.09.2006, waarin de redenen worden uiteengezet waarom de gezinswoning aan geïntimeerde bij voorrang zou moeten worden toegewezen.


2.

Het vonnis van echtscheiding op grond van feitelijke scheiding dateert van 17 mei 2005. Appellante werd op 08.02.2001 ambtshalve afgeschreven op het adres van de gezinswoning waar geïntimeerde nog steeds woonachtig is met de meerderjarige zoon S.(°07.01.1985). Appellante woont bij haar moeder te ....
De echtscheidingsprocedure die leidde tot het vonnis van 17 mei 2005 is vooraf gegaan door vele echtelijke moeilijkheden waardoor het al regelmatig was voorgevallen dat appellante elders verbleef dan in de gezinswoning, b.v. in het .... Na een bevel tot observatieneming van appellante in genoemde instelling voor een duurtijd van 40 dagen werd haar verblijf verlengd: zie de vonnissen van de vrederechter van het zesde kanton Gent d.d. 18.06.1996 en 16 juli 1996 die erop wijzen dat appellante zich toen niet vrijwillig heeft laten opnemen. Al vóór het instellen van de eis tot echtscheiding bij dagvaarding van 13.11.2003 die resulteerde in het vonnis van 17 mei 2005, waren diverse keren voorlopige en dringende maatregelen genomen, hetzij door de vrederechter hetzij door de voorzitter zetelend in kort geding.

Partijen beschuldigen elkaar van zware tekortkomingen. In het vonnis van 17 mei 2005 werd elke partij met betrekking tot de omkering van het schuldvermoeden toegelaten om bepaalde van die beschuldigingen te bewijzen met getuigen.
Geïntimeerde mocht bewijzen dat:
- zijn echtgenote ook na de verzoening van de partijen in 1997 het huishouden grovelijk verwaarloosde, dat het sanitair niet werd gekuist, de afwas en de strijk niet werden gedaan en de woning op een stal leek;
- zijn echtgenote zich ook na de verzoening in 1997 nog te buiten ging aan buitenissig en abusievelijk drank- en medicatieverbruik;
Appellante mocht bewijzen dat:
- haar echtgenoot zich ook na de verzoening van de partijen in 1997 uiterst agressief gedroeg en zijn woede koelde door onder meer in volle woede een gootsteen uit te breken, een gedekte tafel om te gooien, alle elementen die op de kasten stonden met de hand weg te vegen;
- haar echtgenoot er reeds jaren een buitenechtelijke relatie op nahoudt met een zekere L.D.C.;

Er is alleen nog een getuigenverhoor op verzoek van geïntimeerde doorgegaan maar de procedure werd niet voortgezet.

Nadat de boedelnotarissen de in artikel 1219 § 2 Ger.W. bedoelde stukken hadden neergelegd, heeft appellante conclusies genomen aangaande het tussengeschil. In de conclusies, genomen door haar vorige raadsman (stuk 33 in het rechtsplegingsdossier), werd een argumentatie gegeven met betrekking tot de vraag om de gezinswoning bij voorrang aan haar toe te wijzen. Haar argumentatie komt erop neer dat de gezinswoning voor haar een onschatbare emotionele waarde heeft. Daarin verklaarde appellante zich ook akkoord met de verkoop-licitatie van de woning gelegen te ...: er werd geen enkel voorbehoud gemaakt. Ze verklaarde dat die verkoop haar de mogelijkheid zou geven om met de opbrengst van de verkoop, de overname van de gezinswoning te vereffenen.

Partijen waren duidelijk akkoord dat de beoordeling van hun vraag tot preferentiële toewijzing enkel gebeurde met inachtneming van de maatschappelijke belangen en de gezinsbelangen. Dat verklaart het ontstaan van het tussengeschil dat moet opgelost worden vooraleer een staat van vereffening en verdeling wordt opgemaakt waaruit de vergoedings- of vorderingsrechten moeten blijken.

Voor de eerste rechter heeft appellante zich geenszins beroepen op partnergeweld. De eerste rechter besloot als volgt: "Rekening houdend met de voormelde belangen van de beide partijen, die tegenover elkaar worden afgewogen, is de rechtbank van oordeel dat het affectief belang van de eiser op hoofdeis/verweerder op tegeneis primeert op de belangen ingeroepen door de verweerster op hoofdeis/eiseres op tegeneis, zodat de gezinswoning aan de eiser op hoofdeis/verweerder op tegeneis kan worden toegewezen."


3.

3.1. Appellante gaat niet akkoord met het resultaat van de afweging van belangen.
De argumentatie van geïntimeerde om te doen aanvaarden dat hij een recht op preferentiële toewijzing heeft, werd reeds gegeven in de brief van zijn raadsman d.d. 08.09.2006.
Hij liet gelden:
a. dat hij de woning samen met zijn zoon bewoont;
b. dat hij de woning volledig met zijn eigen handen heeft gebouwd;
c. dat de woning nog moet afgewerkt worden en dat hij dat samen met zijn zoon op termijn kan realiseren rekening houdend dat hij een gepensioneer-de metser is, thans invalide;
d. dat de eigendom gebruikt wordt door hem en zijn zoon voor het kweken van rashonden;
e. dat hij reeds de preferentiële toewijzing vroeg bij de opening der werkzaamheden wat niet het geval is geweest met appellante;
f. dat geïntimeerde in geen enkele mate mee verantwoordelijkheid heeft gedragen voor deze eigendom sinds de aanvang van de feitelijke scheiding vermits ze alle lasten en onkosten door hem laat dragen.
Door de eerste rechter werd alleen rekening gehouden met de volgende argumenten van geïntimeerde:
- de argumenten sub a, b en e;
- het argument dat appellante in het verleden blijkbaar weinig zorg droeg voor het onderhoud van de woning.

Appellante brengt weinig of niets in tegen deze argumentatie. Haar zienswijze is dat zijn belangen alleen minder groot zijn dan haar belangen.

Om het Hof te overtuigen van haar zienswijze rakelt appellante thans het verleden op om aan te tonen dat de echtelijke moeilijkheden werden veroorzaakt door geïntimeerde die haar jarenlang fysisch en psychisch heeft geterroriseerd. Voor de boedelnotaris en voor de eerste rechter heeft appellante zich daar niet op beroepen. Ze legde trouwens ook maar 1 stuk voor, nl. het bewijs dat zij een leefloon heeft van 258,95 EUR. Ze is niet correct. De eerste rechter kon geen rekening houden met de beweerde agressiviteit van geïntimeerde en met het aspect van het partnergeweld als daarvan geen sprake is geweest tot nu toe.
Het Hof moet niet nagaan of er in het verleden partnergeweld is geweest. Het volstaat vast te stellen dat appellante's verzoek tot preferentiële toewijzing niet gesteund is op artikel 1447 tweede lid B.W. - zoals gewijzigd door art. 4 van de wet van 28 januari 2003 - en dat de aldaar gestelde voorwaarden ook niet vervuld zijn. Hier past het ook te verwijzen naar hetgeen de rechter in zijn vonnis van 17 mei 2005 - waarvan niet gebleken is dat dit ten gevolge van het beroep van appellante is hervormd - heeft weerhouden als punten die in aanmerking konden komen om het vermoeden van schuld om te keren (zie hoger). Daar ging het toen niet om agressiviteit tegenover de persoon van appellante.

Het Hof meent bij de afweging van de belangen vooruit te moeten zien.

Elke partij verwijst naar de kinderen.
Geïntimeerde wijst erop dat S. nog in het ouderlijk huis woont en dat dit samenwonen aldaar in het belang is van de goede band tussen vader en zoon.
Appellante zegt het volgende: "Het zien opgroeien van kinderen in deze gezinswoning houdt voor appellante eveneens een belangrijke emotionele waarde in." Hoe het Hof dat volgens appellante moet begrijpen is niet duidelijk. Gaat het over haar kinderen waarvan de jongste 23 jaar is en woont in de ouderlijke woning?

Appellante wijst erop dat het verblijf bij haar moeder tijdelijk is. Appellante zal uit de vereffening en verdeling de financiële middelen kunnen halen waardoor een terugkeer naar de gezinswoning niet de enige mogelijkheid is om opnieuw afzonderlijk te gaan wonen.

Bij de afweging van de belangen helpt het de vraag te stellen of er werkelijk gezins- en maatschappelijke belangen bestaan in hoofde van appellante die het wettigen dat twee personen - geïntimeerde en de zoon S. - hun leven anders moeten inrichten om tegemoet te komen aan de voorkeur van één ander persoon - appellante - die in alle geval in een andere woonst haar leven zal verderzetten maar liever wil terugkeren naar de gezinswoning. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor bepaalde gezinsbelangen of maatschappelijke belangen in hoofde van appellante. Deze laatste verwacht tevergeefs dat het Hof zich alleen laat leiden door haar eigen gevoelens en dat het Hof de belangen van geïntimeerde om met de zoon S. het gezinsleven voort te zetten waar tot nu toe zonder onderbreking werd geleefd, daaraan ondergeschikt zou maken. Het is overigens ook de vraag welke emoties appellante drijven wanneer zij niet kan aantonen hoe ze al die jaren dat ze verwijderd is geweest van die woning, verbonden zou gebleven zijn met die woning.

Het Hof besluit dat de eerste rechter een juiste belangenafweging heeft gemaakt.

3.2. De uitbreiding van het beroep bij conclusies van 7 april 2008 is onontvankelijk omdat dit beroep is ingesteld nadat appellante duidelijk had gemaakt dat ze heeft berust in de beslissing van de eerste rechter aangaande de de verkoop-licitatie van de woning te .... Tegen deze beslissing werd immers geen beroep ingesteld op het ogenblik dat het verzoekschrift hoger beroep werd neergelegd en dat de beroepstermijn die verstreek na verloop van een maand na de betekening van het vonnis op 24.12.2007, nog moest verstrijken.


4. wat betreft het beweerd tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep.

Het Hof stelt vast dat er procesrechtsmisbruik is gemaakt door beroep in te stellen.

De eerste rechter velde een duidelijk en goed gemotiveerd vonnis. Tijdens de vereffening en verdeling heeft het gebrek aan medewerking van appellante aangetoond dat zij aanstuurt op vertraging.

Wanneer ze weet dat het beroep opnieuw vertraging zal veroorzaken en wanneer ze dan toch beroep instelt op basis van motieven die te zwak zijn om zelf te kunnen geloven dat er een kans is op hervorming van het vonnis in beroep, dan handelt appellante op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat.
Dat de motieven te zwak waren, is duidelijk. In beroep haalt appellante het partnergeweld aan waar ze dat eerder niet deed en vertrekt ze van de manifest onjuiste stelling dat het partnergeweld bewezen is volgens de eisen van de wet. Voor het overige zijn de motieven eigenlijk beperkt tot de mededeling dat ze graag naar de gezinswoning zou willen terugkeren om de hoger reeds aangehaalde emotionele redenen waarvan ze niet aantoont dat de eerste rechter ze onjuist inschatte.
De uitbreiding van het beroep geeft ook blijk van onbedachtzaamheid en onbetrouwbaarheid. Het akkoord dat ze vroeger heeft gegeven omtrent de verkoop van de woning te ..., trekt ze gewoon in, ook al werd in het proces-verbaal van voortzetting d.d. 29 augustus 2006 geakteerd dat er een afspraak was over de verkoop en dat er van die afspraak niet kan afgeweken worden door partijen, behoudens met het akkoord van beiden. Indien de handelwijze niet roekeloos te noemen is, dan is ze duidelijk te verklaren door de wil om de vereffening en verdeling te bemoeilijken.
Op basis van de in hoofde van appellante vastgestelde aquiliaanse fout, kan geïntimeerde een vergoeding vorderen voor de schade die hij aantoont daardoor geleden te hebben. Het vraagstuk van de schade-vergoeding wordt verder behandeld sub 6


5. de kosten

De kosten van deze aanleg in hoger beroep zijn ten laste van appellante, die de in artikel 1022 Ger. W. bedoelde rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is aan geïntimeerde die de in het gelijk gestelde partij is.

Appellante heeft niet laten blijken dat ze geniet van de tweedelijns juridishe bijstand zodat dit geen reden kan zijn om de rechtsplegingsvergoeding vast te leggen op 75 EUR terwijl het basisbedrag 1.200 EUR is. Een afwijking van het basisbedrag in het voordeel van geïntimeerde die deze afwijking vraagt, moet gemotiveerd worden op basis van één of meerdere van de in de wet bepaalde criteria. Geïntimeerde beroept zich op de complexiteit van de zaak en op het kennelijk onredelijk karakter van de situatie zoals die moet blijken uit de argumentatie die geïntimeerde aanvoert met betrekking tot de tegeneis wegens tergend en roekeloos beroep (waarbij een schadevergoeding werd gevorderd die eerst 2.500 EUR beliep en vervolgens na de uitbreiding van het beroep 5.000 EUR).
De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat.
De complexiteit wordt niet bepaald aan de hand van de omvang van de conclusies maar aan de hand van de problematiek die daarin aan de orde is. Zowel feitelijk als juridisch is de problematiek niet complex. Dit criterium kan niet weerhouden worden om af te wijken van het basisbedrag.

Het kennelijk onredelijke van de situatie slaat niet op het geval van procesrechtsmisbruik (zie : Ilse SAMOY en Vincent SAGAERT De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat in RW 2007-2008 p 688 nr 51) en bijgevolg kan de argumentatie die geïntimeerde heeft uiteengezet ter ondersteuning van de eis tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep niet in aanmerking worden genomen. Elke andere argumentatie om aan te tonen dat aan dit criterium is voldaan ontbreekt.
Van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt dienvolgens niet afgeweken.


6.

Geïntimeerde is niet duidelijk over de samenstelling en verantwoording van de gevorderde schadevergoeding van 5.000 EUR.
Het is niet gebleken dat dit bedrag gevorderd wordt omdat het ereloon en de kosten die geïntimeerde ingevolge het hoger beroep moet betalen en die een schadepost zijn als gevolg van het procesrechtsmisbruik, niet volledig is vergoed door de toegekende rechtsplegingsvergoeding en/of omdat geïntimeerde aan zijn advocaat nog andere kosten heeft moeten betalen die verband houden met het geschil maar buiten het geding in beroep vallen.
Het is ook niet aangetoond dat de vertraging die appellante heeft veroorzaakt in de verkoop van de woning te ..., gepaard gaat met een materieel verlies. Het is alleen aangetoond dat de vertraging in de betaling van de onroerende voorheffing omdat geïntimeerde voor de betaling niet kan rekenen op appellante, leidt tot een toename van de lasten en dat de vertraging in de vereffening en verdeling veroorzaakt door het beroep, voor geïntimeerde financieel nadeel en onrust in het gemoed veroorzaakt. De begroting van deze schade kan niet anders dan ex aequo et bono vastgesteld worden. De schade wordt begroot op 1.000 EUR


7.

Zoals blijkt uit het zittingsblad is op de zitting van 16.10.2008 gevraagd dat appellante haar zienswijze zou geven over de in artikel 780 bis Ger. W. geboden mogelijkheid om ambtshalve een boete op te leggen aan de procespartij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden.
De aanwending van een verhaalmiddel met een vertragend oogmerk is een afwending van het rechtsmiddel van het normale doeleinde. Omdat daardoor de werking van de funcionele openbare dienst die het gerecht is, wordt belemmerd, is het gerechtvaardigd een boete op te leggen die voldoende hoog moet zijn om herhaling van deze handelwijze te kunnen ontraden. De boete wordt in casu bepaald op 1.500 EUR. De geringe financiële middelen waarover appellante thans beschikt, zijn geen beletsel om deze boete op te leggen. Na de vereffening en verdeling zal appellante wel de financiële middelen hebben om de boete te voldoen.

 

OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;


Verklaart het beroep zoals ingesteld in het verzoekschrift hoger beroep, ontvankelijk;

Verklaart de uitbreiding van het hoger beroep onontvankelijk;

Verklaart het ontvankelijk verklaarde beroep ongegrond;

Bevestigt het vonnis in de mate dat het is bestreden;

Verklaart de eis tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep, ontvankelijk en ten dele gegrond;

Veroordeelt appellante om aan geïntimeerde de som te betalen van 1.000 EUR meer de gerechtelijke intresten vanaf heden;

Zegt dat in uitvoering van artikel 780 bis lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek aan appellante een geldboete wordt opgelegd van 1.500 EUR, en veroordeelt haar daartoe;

Gelast de Administratie der Registratie en Domeinen met de inning van de boete;

Veroordeelt appellante tot de kosten van deze aanleg in hoger beroep en begroot deze kosten voor appellante op 186 EUR uit hoofde van het rolrecht en op 1.200 EUR uit hoofde van de rechtsplegingsvergoeding.


Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 13-11-2008.

Aanwezig:
- P. De Buck, voorzitter;
- B. De Wilde, griffier.