Verplicht antwoord op conclusies burgerlijke partij door onderzoeksgerechten



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Recht van verdediging

Uitspraak

Cass. 3 maart 2015, P.14.0032.N

Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering: het arrest antwoordt niet op het door de eiser in een appelconclusie aangevoerde verweer, dat uit bankinformatie bleek dat de verweerster van 3 september 1998 tot 27 februari 2003 en dus op het ogenblik van de boedelbeschrijving van 10 oktober 2002 nog over een KBC- spaarrekening beschikte, die zij verzweeg; de eiser had daarover aanvullend on-derzoek gevraagd; met het oordeel dat er geen aanwijzingen bestaan dat de ver-weerster een dergelijke rekening bij de boedelbeschrijving zou hebben verzwegen en dat de kans onbestaande is dat aanvullend onderzoek nieuwe elementen aan het licht zou brengen, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en beantwoordt het eisers verweer niet.
2. De artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering hebben voor de onderzoeksgerechten die na het gerechtelijk onderzoek de rechtspleging dienen te regelen een debat op tegenspraak ingevoerd. Daaruit volgt dat de burgerlijke partij het recht heeft conclusies te nemen voor de onderzoeksgerechten en dat deze ver-plicht zijn daarop te antwoorden.
3. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak vereist dat de beslissing die ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging een einde stelt aan de strafvordering de voornaamste redenen ver-meldt tot staving van die beslissing, ongeacht of er een conclusie is ingediend. De burgerlijke partij moet in staat zijn die beslissing te begrijpen.
4. Het arrest bevestigt de beroepen beschikking die oordeelt dat er in hoofde van de verweerster generlei bezwaar bestaat en dat er geen reden is tot vervolging. Met betrekking tot de KBC-spaarrekening oordeelt het: "Er bestaan geen aanwijzingen dat [de verweerster] een dergelijke rekening zou hebben verzwegen bij de akte van boedelbeschrijving."
5. Aldus vermeldt het arrest niet de voornaamste redenen tot staving van de beslissing tot buitenvervolgingstelling wat betreft de KBC-spaarrekening. Met de vermelde redenen is de eiser niet in staat te begrijpen waarom de buitenvervolgingstelling werd bevolen.
Het onderdeel is gegrond.