Vonnis op tegenspraak bij aanwezigheid advocaat op zitting



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Hoger beroep politierechtbank

Uitspraak

Cass. 21 januari 2015

Uitspraak

Nr. P.14.1418.F

S. D.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Luik, afdeling Hoei, van 6 juni 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 17 december 2014 een con-clusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 21 januari 2015 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel in zijn geheel

Het middel verwijt het bestreden vonnis te oordelen dat het vonnis van de politie-rechtbank van 25 juni 2013 op tegenspraak en niet bij verstek is gewezen, en daaruit af te leiden dat het hoger beroep dat de eiser op 27 november 2013 heeft ingesteld, niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid.
Of een vonnis op tegenspraak dan wel bij verstek wordt gewezen, hangt af van de wet. Daaruit volgt dat de omschrijving als op tegenspraak of bij verstek gewezen vonnis, die de rechter aan zijn beslissing heeft gegeven, de aard ervan niet kan wijzigen.

Een vonnis is ten aanzien van de vervolgde persoon bij verstek gewezen wanneer laatstgenoemde niet heeft geantwoord op de tegen hem op de rechtszitting geno-men vordering of op enig ander verweer vergend element dat vervolgens door het openbaar ministerie tegen hem werd ingebracht.

Een vonnis is ten aanzien van een beklaagde op tegenspraak gewezen wanneer laatstgenoemde persoonlijk of vertegenwoordigd door een advocaat op de rechts-zitting is verschenen en er zijn verweermiddelen heeft voorgedragen. De omstan-digheid dat de beslissing in zijn afwezigheid is uitgesproken, is wat dat betreft ir-relevant.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de raadsman van de eiser op de rechtszitting van 18 juni 2013 de vordering van het openbaar ministerie heeft bij-gewoond en er zijn verweermiddelen heeft aangevoerd. Voorts blijkt niet dat een onderzoeksmaatregel of een vordering tegen de eiser zou zijn genomen en even-min dat een hem betreffend stuk zou zijn neergelegd op een rechtszitting waarop hij noch aanwezig was noch vertegenwoordigd werd.

De appelrechters hebben bijgevolg naar recht beslist dat het vonnis van 25 juni 2013 op tegenspraak was gewezen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel in zijn geheel

Het middel verwijt de appelrechters vooreerst dat ze niet hebben geantwoord op de conclusie van de eiser waarin de verjaring van de strafvordering wordt aange-voerd. Voorts voert het aan dat de feiten verjaard waren op het ogenblik van de uitspraak.

Alvorens te onderzoeken of de strafvordering vervallen is, doet de appelrechter uitspraak over de ontvankelijkheid van het bij hem aanhangig gemaakte rechtsmiddel.

Aangezien de correctionele rechtbank naar recht verantwoord heeft dat er geen ontvankelijk hoger beroep bij haar aanhangig was gemaakt, hoefde ze niet meer te antwoorden op het voorgedragen verweermiddel noch het ambtshalve te onderzoeken, vermits beide door haar beslissing irrelevant zijn geworden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 21 januari 2015 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.