Derdenverzet



Begrip derdenverzet

Het derdenverzet is een buitengewoon rechtsmiddel.

Dit rechtsmiddel kan aangewend worden door iemand die geen partij was bij een geding, maar waarbij de beslissing die daarin werd gewezen hun rechten heeft benadeeld.

Derdenverzet kan zowel voor de burgerlijke rechtbanken ingesteld worden, als voor de strafgerechten die uitspraak hebben gedaan over burgerlijke belangen. 

Eindbeslissingen, alsook voorlopige belissingen, zelfs al zijn deze bewarend van aard, kunnen voorwerp uitmaken van derdenverzet.

Het nadeel kan zowel materieel als moreel zijn.

Rechtsbronnen

1122 Ger.W. Ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen, kan derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan.

Dit rechtsmiddel kan evenwel niet worden ingesteld:
1°. door algemene rechtverkrijgenden of rechtverkrijgenden onder algemene titel, behalve wanneer zij het eigen recht waarop zij zich beroepen, doen erkennen;
2°. door rechtverkrijgenden onder bijzondere titel, behalve wanneer hun rechtsvoorganger bedrog heeft gepleegd of wanneer zij hun recht hebben verkregen voor de dagtekening van de beslissing;
3°. door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt;
4°. door vertegenwoordigde personen, behalve bij bedrog van hun wettelijke, gerechtelijke of bij overeenkomst aangewezen vertegenwoordiger.
Bedrog kan alleen dan worden ingeroepen, indien het tijdens het geding is gepleegd.

Commentaar K. WAGNER


Rechtspraak

  • Derdenverzet is slechts niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang wanneer het uitgaat van een persoon wiens rechtspositie door de beslissing niet kan worden aangetast.

    Zie ook Cass. 21 maart 2003, AR C.00.0634.N, AC 2003, nr. 188.

    30/01/2015 - Hof van Cassatie