Opschortende voorwaarde



Opschortende voorwaarde: begrip

De opschortende voorwaarde wordt behandeld onder hoofstuk IV onder de soorten van de verbintenissen met onder afdeling I de voorwaardelijke verbintenissen.

Onder de algemene bepalingen definieert art. 1168 een verbintenis als voorwaardelijk, indien men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft.

De eerste voorwaardelijke verbintenis noemt men evident de opschortende voorwaarde, onderwerp van dit artikel.

De tweede voorwaardelijke verbintenis is de ontbindende voorwaarde.

Het verschil tussen beide heeft juridisch technische gevolgen bij zowel het plaatsvinden als het uitdoven van de verbintenis. Afhankelijk van het beoogde doel zal dus gekozen moeten worden tussen hetzij de opschortende, hetzij de ontbindende voorwaarde.

De opschortende voorwaarde schort het tot stand komen van de verbintenis dus op tot op het moment dat een toekomstige en onzekere gebeurtenis zich plaatsvindt.

De gebeurtenis dient dus zowel toekomstig als onzeker te zijn. Een zuivere potestatieve voorwaarde, waarbij het plaatsvinden van de gebeurtenis volledig afhangt van de wil van degene die zich verbonden heeft, is verboden. 

Geen potestatieve voorwaarde is een contractueel beding dat betrekking heeft op het voorwerp van de verbintenis en niet op een gebeurtenis waarvan de uitvoering of het voortbestaan van de verbintenis afhankelijk is (Cass. 15 januari 1979, Pas 1979, 552-554).

Gevolgen van de opschortende voorwaarde

1. Voor het vervullen van de voorwaarde

De schuldeiser van de verbintenis kan deze niet opeisen voor het vervullen van de voorwaarde. Dit is een essentieel element van de werking van de opschortende voorwaarde.

Gevolgen daarvan zijn o.a.:

- In principe is geen uitvoerend of bewarend beslag mogelijk.

- De zijdelingse vordering van art. 1166 BW kan niet uitgeoefend worden.

- Ook de pauliaanse vordering kan niet ingesteld worden.

- Compensatie met een schuldvordering van de schuldenaar is niet mogelijk.

Dit houdt niet in dat de schuldeiser geen enkel recht uit de overeenkomst kan putten. De schuldeiser kan dus onder bepaalde omstandigheden optreden wanneer zijn rechten in gevaar komen:

- Zo wordt onder bepaalde omstandigheden aanvaard dat bewarend beslag kan gelegd worden wanneer het nakomen van de verbintenis gevaar dreigt te lopen.

- Ook kan de schuldeiser die een onroerend goed zal verkrijgen een vordering tot erkenning kunnen intstellen om de verjaring te stuiten. In dat verband kan ook een inschrijving of overschrijving gevorderd worden die vaste datum krijgt om tegen een latere overdracht tegenstelbaar te maken.

- Bij faillissement van de schuldenaar kan aangifte gedaan worden van de voorwaardelijke schuldvordering.

De vraag of de overeenkomst bestaat vooraleer de voorwaarde in vervulling is gegaan, is dus veeleer theoretisch van aard. Nochtans stelde het Hof van Cassatie in een arrest van 5 juni 1981 dat de overeenkomst bestaat hangende de opschortende voorwaarde, ook al is de uitvoering van de verbintenis geschorst.

Sommige rechten en plichten die uit de overeenkomst voortvloeien kunnen al onmiddellijk vanaf de sluiting gelden, zoals bijvoorbeeld een geheimhoudingsplicht.

2. Gevolgen van de vervulde voorwaarde

De gevolgen van het vervullen van een opschortende voorwaarde treden van rechtswege in van zodra de vereiste handeling of het feit uitwerking vindt.

Het belangrijkste juridische gevolg van de opschortende voorwaarde is de terugwerkende kracht:

- De reeds gestelde uitvoeringshandelingen zullen tegenstelbaar worden.

- Alle handelingen gesteld door de eigenaar worden gevalideerd.

Een bijzondere situatie is het overgaan van de eigendom, en dus het risico, van het (roerend of onroerend) goed.

De koper wordt geacht altijd eigenaar te zijn geweest vanaf het moment van het sluiten van de overeenkomst. Dit zou tot gevolg hebben dat de koper ook het risico draagt wanneer het goed teniet zou gaan voor het in vervulling gaan van de voorwaarde. Art. 1182 BW maakt hierop een uitzondering omdat het niet billijk lijkt dat de koper het risico draagt wanneer het goed meestal in het bezit van de verkoper blijft.

Indien de zaak beschadigd raakt heeft de koper enkel de keuze tussen de ontbinding van de overeenkomst of het behoud ervan zonder vermindering van de prijs.

Ook de verjaring geniet een speciaal regime bij de opschortende voorwaarde. Zo begint de verjaring pas te lopen vanaf het in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde volgens art. 2257 BW. Nochtans is het wel mogelijk dat de verkrijgende verjaring van zakelijke rechten onmiddellijk begint te lopen vanaf wanneer het bezit verandert. Daarentegen is de voorwaardelijke koop geen wettige titel voor de verkorte verjaringstermijn volgens art. 2265 BW en zal deze pas beginnen lopen vanaf het in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde.

3. Gevolgen van het uitblijven van de voorwaarde

De verbintenissen waartoe de aangegane overeenkomst aanleiding gaf, gaan bij het uitblijven van de voorwaarde volledig teniet. Ook hier ontstaan de gevolgen van rechtswege.

Zo worden de borgen bevrijd en vervallen de zakelijke zekerheden.

Het uitblijven van de voorwaarde heeft echter geen retroactieve werking. Het reeds betaalde kan dus teruggevorderd worden wegens onverschuldigde betaling. Indien daarentegen het betaalde gold als voorwaarde om de overeenkomst aan te gaan, zal dit in principe behouden worden door de ontvanger.

Wel heeft de overeenkomst bestaan, zodat in principe schadevergoeding kan gevorderd worden wanneer bepaalde onmiddellijk opeisbare verbintenissen geschonden zijn. Het slechts tijdelijk bestaan van de overeenkomst doet daaraan geen afbreuk, zelfs al gaat deze teniet. Ook het reeds aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 5 juni 1981 bevestigde dit.

Wettelijke bepalingen

De bijzondere bepalingen voor de opschortende voorwaarden worden vervolgens onder §2

Art. 1181 BW. Een verbintenis onder een opschortende voorwaarde aangegaan, is die welke afhangt ofwel van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.
In het eerste geval kan de verbintenis niet uitgevoerd worden dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad.
In het tweede geval heeft de verbintenis haar gevolgen met ingang van de dag waarop zij is aangegaan.

Art. 1182 BW. Wanneer de verbintenis is aangegaan onder een opschortende voorwaarde, blijft het risico van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt, voor de schuldenaar die zich slechts verbonden heeft ze te leveren ingeval de voorwaarde vervuld wordt.
Indien de zaak geheel teniet gegaan is buiten de schuld van de schuldenaar, is de verbintenis teniet.
Indien de zaak schade geleden heeft buiten de schuld van de schuldenaar, heeft de schuldeiser de keus om ofwel de verbintenis teniet te doen, ofwel de zaak te eisen in de staat waarin zij zich bevindt, zonder vermindering van de prijs.
Indien de zaak schade geleden heeft door de schuld van de schuldenaar, heeft de schuldeiser het recht om ofwel de verbintenis teniet te doen, ofwel de zaak te eisen in de staat waarin zij zich bevindt, met schadevergoeding.

Met betrekking tot de verjaring geldt art. 2257 BW:

Art. 2257 BW. De verjaring loopt niet :
Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is;
Ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad;
Ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.

Voorbeelden

Voorbeelden van een opschortende voorwaarde zijn de voorwaarde tot het bekomen van een krediet, het bekomen van een bouwvergunning, ...:

Opschortende voorwaarde tot het bekomen van een lening

Dat het belang heeft om de opschortende voorwaarde zeer nauwkeurig te formuleren blijkt uit een uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen. In dit arrest wordt geoordeeld dat indien de koper een te laag uit te lenen bedrag opgeeft bij het opmaken van de opschortende voorwaarde, hij hierdoor gebonden is. Kan de koper vervolgens geen lening bekomen voor een hogere lening, is hij toch gebonden door de verbintenis.

Tijdsverloop

Is er geen periode bepaald waarbinnen de gebeurtenis zich moet voordoen, dan kan de vervulling van de voorwaarde steeds plaatsvinden.

Pas wanneer het duidelijk is dat de gebeurtenis niet zal kunnen plaatsvinden, blijft de voorwaarde onvervuld.

Zo oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen in een arrest van 14 maart 2005 dat de opschortende voorwaarde tot het bekomen van een lening als niet-vervuld moet beschouwd worden wanneer een periode van 5 jaar verlopen is sedert het sluiten van de voorwaardelijke verbintenis. Dit besluit werd ook bevestigd door het Hof van Cassatie.


Rechtspraak

  • De lening die wordt aangegaan en waarbij de verbintenis tot terugbetaling wordt afhankelijk gesteld van de verkoop van de 5.000 aandelen door de ontlener is nietig.

    De verplichting van de lener om het geleende bedrag terug te geven met een louter potestatieve, opschortende voorwaarde, is nietig. Die nietigheid, die de oorzaak wegneemt voor de terugbetaling van het geleende bedrag, heeft de nietigheid van de leningsovereenkomst zelf tot gevolg.

    Hoewel de nietigheid van een overeenkomst ex tunc geldt, doet het vonnis dat deze uitspreekt nieuwe verplichtingen ontstaan aangezien de partijen moeten teruggeven wat zij gekregen hebben. Zonder vernietiging van de leningsovereenkomst leidt de nietigheid van de verplichting tot terugbetaling niet tot enige verplichting tot teruggave voor de ontlener.

     

    22/04/2013 - Hof van Cassatie
  • De verkoop door een mandataris onder opschortende voorwaarde van akkoord van de eigenaars is een verkoop onder louter potestatieve voorwaarde en dus nietig.

    05/01/1993 - Hof van Beroep Antwerpen
  • Overwegende dat een verbintenis voorwaardelijk is wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaats heeft of niet plaats heeft (artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek). Overwegende dat een potestatieve voorwaarde die is welke de uitvoering van de overeenkomst doet afhangen van een gebeurtenis die de ene of de andere van de contracterende partijen vermag te doen plaatshebben of te verhinderen (artikel 1170 van het Burgerlijk Wetboek); dat iedere verbintenis nietig is, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt (artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek); dat de potestatieve voorwaarde die de verbintenis onder dewelke zij werd aangegaan nietig maakt, de louter potestatieve voorwaarde is, dit wil zeggen de voorwaarde waarvan de vervulling uitsluitend afhangt van de wil van hem die zich verbindt (Cassatie 16 december 1960, Pas. 1961, 1, 421); dat een zuiver potestatieve voorwaarde bovendien slechts de nietigheid van de verbintenis tot gevolg heeft wanneer zij een opschortend karakter heeft (De Page, I, nr. 155 bis); dat een ontbindende voorwaarde daarentegen best zuiver potestatief mag zijn, vermits zij de vorming van de rechtsband niet belet en het contract in dat geval zijn volle uitwerking heeft tot op het ogenblik van de verwezenlijking van de voorwaarde; dat ten slotte te weten of men zich bevindt voor een zuivere, dan wel voor een gewone potestatieve voorwaarde, afhankelijk deels van de wil van de schuldenaar en deels van de omstandigheden of de wil van een derde, een loutere feitenkwestie is. Overwegende dat geïntimeerde zich in casu verbonden had appellant tewerk te stellen voor gelijk welke taak die overeenstemt met de bekwaamheden en de ontvangen opleiding (artikel 1 van de arbeidsovereenkomst); dat geen plaats van tewerkstelling voorzien werd, maar geïntimeerde zich het recht heeft voorbehouden de plaats van tewerkstelling te wijzigen; dat de door geïntimeerde alzo aangegane verbintenis niet voorwaardelijk is in de zin van artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek, vermits het ontstaan of het teniet gaan van de verbintenis tot tewerkstellen niet van de al dan niet totstandkoming van een voorwaarde afhankelijk werd gemaakt; dat enkel een modaliteit werd overeengekomen in de wijze van uitvoering van de verbintenis van geïntimeerde tot het tewerkstellen van appellant. Overwegende dat artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek in casu niet dient toegepast te worden; dat de kwestieuze clausule rechtsgeldig is en enkel als een verwoording dient aangezien van het 'ius variandi' van de werkgever, voortvloeiend uit de intrinsieke aard van de arbeidsovereenkomst die de werknemer in een toestand van ondergeschiktheid plaatst tegenover de werkgever.

    1. Wanneer de werkgever zich ertoe verbindt de werknemer tewerk te stellen zonder dat een plaats van tewerkstelling specifiek in de overeenkomst werd bepaald en de werkgever zich het recht heeft voorbehouden de plaats van tewerkstelling te wijzigen, is de door de werkgever aangegane verbintenis niet voorwaardelijk in de zin van art. 1168 van het Burgerlijk Wetboek. Het artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek kan dus niet van toepassing zijn. Alzo werd enkel een modaliteit overeengekomen in de wijze van uitvoering van de verbintenis van de werkgever tot het tewerkstellen van de werknemer. Deze clausule is rechtsgeldig en dient aangezien te worden als een verwoording van het IUS VARIANDI van de werkgever.

    2. Wanneer de clausule in de overeenkomst geen contractuele begrenzing van het ius variandi van de werkgever qua plaats van tewerkstelling inhoudt, dient deze clausule alleszins overeenkomstig art. 1134 van het Burgerlijk Wetboek uitgevoerd te worden. Dit houdt in dat de opgelegde wijziging enerzijds haar rechtvaardiging moet vinden in de concrete ondernemingscontext en anderzijds binnen redelijke grenzen dient te vallen, d.w.z. binnen een normaal en gerechtvaardigd verwachtingspatroon bij de werknemer. Het ius variandi en het verwachtingspatroon van de werknemer dienen complementair tegen elkaar afgewogen ten aanzien van de realiteit van de bepaalde onderneming.

    3. Zonder uitdrukkelijke stipulatie in de overeenkomst dat de werknemer in het buitenland kan worden tewerkgesteld, valt een tewerkstelling in Noorwegen gedurende enkele maanden niet binnen het normaal en gerechtvaardigd verwachtingspatroon van een arbeider, niettegenstaande het voorbehoud van de werkgever om de plaats van tewerkstelling te kunnen wijzigen in de overeenkomst werd ingelast en alzo de mobiliteit van de werknemer in diens verwachtingspatroon ingebouwd was, dat echter redelijkerwijze te begrenzen is tot het grondgebied van België.

    18/12/1980 - Arbeidshof Antwerpen
  • De uitvoering van een onder opschortende voorwaarde aangegane verbintenis, als de betaling is gedaan voordat de voorwaarde is vervuld en als deze niet is vervuld, is een onverschuldigde betaling waaruit krachtens de artt. 1235, 1376 en 1377 B.W. een wettelijke verplichting tot teruggave voortvloeit .

    07/10/1982 - Hof van Cassatie
  • De overeenkomst waarbij een verbintenis onder opschortende voorwaarde is aangegaan, bestaat hangende de voorwaarde, ook al is de uitvoering van de verbintenis geschorst; zij doet derhalve rechten en plichten voor partijen ontstaan en de partij die haar verplichtingen niet nakomt, kan schadeplichtig zijn . (Art. 1181 B.W.)

    Wanneer bij overeenkomst een verbintenis onder opschortende voorwaarde is aangegaan, kan ook bij ontbreken van de voorwaarde het niet-nakomen, hangende de voorwaarde, van uit de overeenkomst ontstane verplichtingen aanleiding geven tot schadevergoeding, wanneer het niet-nakomen oorzaak van de schade blijft, hoewel de overeenkomst intussen teniet is gegaan . (Art. 1181 B.W.)

    05/06/1981 - Hof van Cassatie