Rechtsmisbruik



Rechtsmisbruik is abnormale uitoefening van een recht

Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en oplettend persoon te buiten gaat.

Deze algemene definitie van rechtsmisbruik is van toepassing op alle soorten rechten, zowel contractueel als buitencontractueel.

De gevallen waarin rechtsmisbruik in de praktijk erkend worden, kunnen meestal worden herleid tot de vaststelling dat de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of heeft verkregen.

Bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Buitencontractueel rechtsmisbruik

Het buitencontractueel rechtsmisbruik is gestoeld op art. 1382 BW. 

Een eerste toepassing van rechtsmisbruik is terug te vinden in het Colmararrest van 2 mei 1855 en gaat terug op de burenhinder.

In dit arrest vond de eigenaar van een onroerend goed er niets beter op dan een schoorsteen op te bouwen vlak voor het venster van de buurman, met als enig doel hierdoor de buurman te schaden.

Aldus werd rechtsmisbruik toegepast wanneer de rechtsuitoefening zonder enig redelijk of rechtmatig belang plaatsvindt.

Een vaak gegeven voorbeeld in dit verband is dan ook het oprichten van constructies, ook al zijn deze principieel niet in overtreding met enige rechtsnorm, met als enige doel de nabuur te hinderen.

De rechtspraak ontwikkelde zich verder en zo werd door het Hof van Cassatie in 1917 verder gepreciseerd dat rechtmisbruik ook kan plaatsvinden wanneer "tussen verschillende wijzen om zijn recht uit te oefenen met hetzelfde nut, die rechtsuitoefening verkiest die voor een ander schadelijk is of welke het algemeen belang miskent".

Pas in 1971 (Cass. 10 september 1971 en daarna ook herhaald in Cass. 20 november 1987 en Cass. 18 februari 1988) kwam ons hoogste gerechtshof eindelijk tot een algemene definitie voor rechtsmisbruik en legde daarmee de basis voor het algemeen rechtsbeginsel. Vanaf dan is rechtsmisbruik de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon.

Misbruik van contractuele rechten

Door het samenloopverbod van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en van deze uit een contract, was het beroep op art. 1382 BW niet meer mogelijk om het principe van rechtsmisbruik te hanteren.>

Daardoor was het Hof van Cassatie genoodzaakt een andere grondslag voor de toepassing van rechtsmisbruik in contractuele relaties te vinden.

Dit gebeurde bij het mijlpaalarrest van 19 september 1983 waar het Hof stelde "dat het in art. 1134 van het Burgerlijk Wetboek neergelegd beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten ten uitvoer worden gebracht, een contractpartij verbiedt misbruik te maken van de rechten die dit contract haar toekent".

Daarmee wijzigde het Hof van Cassatie niets aan het principe van de leer van het rechtsmisbruik en dus ook niets aan de omvang van de beperkingen die het verbod van rechtsmisbruik meebrengen bij de uitoefening van contractuele rechten.

Sancties voor rechtsmisbruik

De rechtspraak erkende reeds meermaals de sancties in geval van rechtsmisbruik.

Het recht van de titularis komt alleszins op zich niet te vervallen. Bij een wijziging van omstandigheden zou het immers in principe opnieuw mogelijk zijn voor de titularis om zonder rechtsmisbruik dat recht op een bepaalde wijze uit te oefen, waarbij geen rechtsmisbruik wordt begaan.

Cassatie heeft herhaaldelijk gesteld dat de sanctie op misbruik van recht wel de beperking ervan tot de normale uitoefening van dat recht en/of het herstel van de door het misbruik veroorzaakte schade omvat.

Dus enerzijds is er een herstel in natura, het verbieden van de schadelijke handeling in de mate dat ze de normale rechtsuitoefening te buiten zou gaan. Daarbij kan de beperking dus niet bestaan uit een algemeen en volledig verbod op de hinderende handeling. Dit verbod zou niet kunnen verzoend worden met het eigendomsrecht dat een volledig beschikkingsrecht impliceert.

Anderzijds is een herstel bij equivalent slechts mogelijk wanneer het uitgeoefende recht niet meer teruggedraaid kan worden en de rechtsgevolgen definitief tot stand zijn gekomen. In dat geval is er geen normale rechtsuitoefening te bevelen en moet onderzocht worden welke schade is veroorzaakt. De te herstellen schade wordt vergoed door een passende en billijke compensatie, m.n. een genoegdoening die ertoe strekt het evenwicht dat bestond te herstellen.

Toepassingsgevallen

Cass. 12 juli 1917: Een winkelketen plaats lichtreclame aan haar pand in de Nieuwstraat in Brussel. Op die manier werd de lichtreclame die een concurrent voordien had geplaatst nog slechts beperkt zichtbaar. Er werd geoordeeld dat de wijze van uitoefening rechtsmisbruik uitmaakte.

Cass. 1 oktober 2010: In dit geval was tussen partijen een brouwerijcontract gesloten dat de afnemer verbond tot een afname van een minimum aan drank. Het Hof van Beroep had gesteld dat bij gebreke aan enig naspeurbare mededeling in verband met de lage afname aan hectoliters drank het niet getuigt van goede trouw in hoofde van de brouwerij om nagelaten te hebben ook maar een gewone mededeling te hebben gedaan aan afnemer om erop te wijzen dat er een te lage afname was. Uit het gebrek aan mededeling van het tekort aan afname, gedurende bijna tien jaar, mochten de afnemers te goeder trouw verwachten en besluiten dat de brouwerij geen verdere aanspraken zou doen n.a.v. de beëindiging van de overeenkomst en het tekort aan hectoliters. Het Hof van Cassatie bevestigde dit principe nadat de brouwerij hoger beroep had aangetekend.

Vred. Gent 27 november 2012: De uitbating van een kindercrèche wordt verboden omdat de eigenaar van een privégedeelte zonder overleg met de overige eigenaars een kinderdagverblijf in gebruik heeft genomen. De rechter beval de onmiddellijk stopzetting van de crèche, aangezien dit de enige oplossing is om het evenwicht tussen de eigenaars te herstellen.

Samenvattend

Rechtmisbruik is te kwalificeren uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon te buiten gaat.

De toepassingsgevallen kunnen als volgt worden weergegeven:

1. De uitoefening van een recht zonder enig redelijk of rechtmatig belang.

2. Bij de uitoefening van een recht is de veroorzaakte schade niet in verhouding tot het voordeel dat de houder van dat recht kan bekomen.

3. Bij de keuze tussen de uitoefening van verschillende rechten, dit recht te kiezen dat de meeste schade bij een ander veroorzaakt.

De toepassing van rechtsmisbruik is te vinden in de algemene principes die voortvloeien uit de artikelen 1382 BW (in geval van een buitencontractuele toepassing) en 1132 BW (bij misbruik van contractuele rechten).

De sanctie is het opleggen van de normale rechtsuitoefening. Pas wanneer de rechtsgevolgen definitief zijn geworden, is de schadelijder gerechtigd op een passende en billijke compensatie.


Rechtspraak

  • Het Hof stelt vast dat er procesrechtsmisbruik is gemaakt door beroep in te stellen.

    Wanneer de aanlegger weet dat het beroep opnieuw vertraging zal veroorzaken en wanneer ze dan toch beroep instelt op basis van motieven die te zwak zijn om zelf te kunnen geloven dat er een kans is op hervorming van het vonnis in beroep, dan handelt de aanlegger op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. Een schadevergoeding kan toegekend worden.

    De begroting van deze schade kan niet anders dan ex aequo et bono vastgesteld worden.

    De aanwending van een verhaalmiddel met een vertragend oogmerk is een afwending van het rechtsmiddel van het normale doeleinde.

    Omdat daardoor de werking van de funcionele openbare dienst die het gerecht is, wordt belemmerd, is het gerechtvaardigd een boete op te leggen die voldoende hoog moet zijn om herhaling van deze handelwijze te kunnen ontraden. 

    13/11/2008 - Hof van Beroep Gent
  • De overeenkomsten die wettig zijn aangegaan strekken de partijen tot wet en dienen te goeder trouw zonder misbruik van recht te worden uitgevoerd.

    Het aannemen van een houding die tegenstrijdig is met het uitgeoefende recht kan op zichzelf geen reden zijn om een wederpartij te ontslaan van de verplichting haar verbintenis uit te voeren.

    05/06/1992 - Hof van Cassatie
  • Het rechtsmisbruik dat het recht van verdediging en het recht om te concluderen aantast, kan ontstaan uit de uitoefening van die rechten zonder redelijk en afdoend belang en op een wijze die de perken van de normale uitoefening ervan door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat.

    Door een appelconclusie uit het debat te weren, geven de appelrechters te kennen dat de eiseres haar recht van verdediging en haar recht om te concluderen uitoefent zonder redelijk en afdoend belang en op een wijze die de perken van de normale uitoefening ervan door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat.

    04/03/2010 - Hof van Cassatie
  • Het beding in een overeenkomst luidens hetwelk bij verkoop van een onroerend goed in ieder geval een commissie aan de tussenpersoon verschuldigd is zonder dat deze zijn tussenkomst hoeft te bewijzen, maakt het de tussenpersoon mogelijk helemaal niets te doen en toch betaling van de tegenpartij te vorderen, zodat hij er baat bij vindt om zijn verbintenis niet uit te voeren, want uitvoering, d.i. een koper zoeken, brengt kosten mee. Een dergelijk beding is strijdig met de goede trouw (art. 1134, derde lid, B.W.) en met de openbare orde, en dient derhalve als onbestaand te worden beschouwd.

    16/10/1981 - Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen
  • Niet de algemene gedragsnorm van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek maar de bijzondere contractsnorm dat een overeenkomst te goeder trouw moet worden uitgevoerd, vormt de rechtsgrond van een vordering wegens misbruik van ontslagrecht.

    18/03/1994 - Arbeidshof Antwerpen
  • De eigenaar van een privatieve scheidingsmuur kan vanwege zijn nabuur de prijs voor het gemeen maken van deze scheidingsmuur vorderen, indien en voor zover deze nabuur van de muur op zodanige wijze gebruik maakt dat hij zich het medebezit ervan aanmatigt, en aldus een inbreuk pleegt op het uitsluitende eigendomsrecht en dit gebruik niet redelijkerwijze kan voortzetten zonde de impliciete wil om de muur gemeen te maken.

    Het tijdelijk plaatsen van leidingen en bouwpassen tegen de muur betreft een vluchtig en tijdelijk gebruik, hetgeen niet kan beschouwd worden als een inbezitname die aanleiding geeft tot gemeenmaking. Wanneer er een einde wordt gemaakt aan de bezitsaanmatiging, door verwijdering van de leidingen en bouwpassen, is er geen wilsuiting tot gemeenmaking aanwezig.

    Het opvullen van de nauwe ruimte tussen de twee muren met isolatiemateriaal, het afsluiten van de zijkanten met cement en het afsluiten van de bovenkant met een plaat, alsook het aanwerken van de dakbedekking tot tegen de muur, met andere woorden allen maatregelen van beveiliging tegen waterinsijpeling, maken onvoldoende reden uit om de buur tot gemeenmaking van de muur te verplichten.

    Men zou kunnen stellen dat het smeren van cement en het aanbrengen van een plaat tegen de rand van de muur een inbreuk vormt op het eigendomsrecht van de eigenaar van de muur. Indien deze eigenaar van de muur zou eisen dat de cement en de plaat weggenomen worden, zou zulks evenwel stuiten op het verbod van rechtsmisbruik, indien daardoor de goede isolatie van de muur onmogelijk gemaakt wordt.

    Het voordeel dat men wenst te verkrijgen door dergelijke maatregelen te eisen, is immers veel kleiner dan het nadeel dat men ermee veroorzaakt voor de nabuur, zodat men zijn eigendomsrecht niet uitoefent zoals het een normaal voorzichtig en redelijk mens betaamt. Dergelijke mogelijke inbreuken kunnen volgens de rechtbank dan ook niet beschouwd worden als bezitsaanmatiging die aanleiding geeft tot het gemeen maken van de muur op basis van artikel 661 van het burgerlijk wetboek.

    22/12/2009 - Rechtbank van Eerste Aanleg Mechelen