Burgerlijke partijstelling bij bedrieglijk onvermogen en faillissement



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel

Uitspraak

Cass. 20 januari 2015

Nr. P.14.1276.N

E R H C,

beklaagde,
eiser,

tegen

C V D C,
burgerlijke partij,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 24 juni 2014.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 490bis Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring, artikel 63 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 6, 1134, 1382, 1383, 1153, 1167, 1415, 1495 en 2262 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 17 en 18 Ge-rechtelijk Wetboek en de artikelen 16, 20, 24, 25, 26, 27, 30, 40, 45, 52, 53, 62, 63, 72, 77, 99 en 141 Faillissementswet: het arrest kan uit de vastgestelde feiten niet afleiden dat de klacht met burgerlijkepartijstelling die de verweerder op 22 april 2009 tegen de eiser heeft gedaan wegens bedrieglijk onvermogen en de door die klacht op gang gebrachte strafvordering ontvankelijk zijn; de verweerder heeft die klacht gedaan voordat eisers persoonlijk faillissement op 19 september 2012 werd afgesloten; de schuldvordering van de verweerder, zoals gegrond verklaard bij vonnis van de correctionele rechtbank te Gent van 27 februari 2006, bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Gent van 8 april 2008, dateerde van 2002 en dus van vóór eisers persoonlijke faillissement van 3 januari 2003, wat de verweerder verzwegen heeft; de verweerder heeft ook geen aangifte van zijn schuldvordering in het faillissement gedaan, zodat hij niet in aanmerking kwam voor een dividend uit de boedel; evenmin heeft de verweerder het arrest van 2008 betekend; de verweerder diende zijn klacht in op basis van een onrechtmatig belang; wegens het gelijkheidsbeginsel tussen de schuldeisers mocht de eiser tijdens de periode van het faillissement geen individuele schuldeisers zoals de verweerder betalen, maar kwam het enkel aan de curator toe de collectieve schade van het faillissement te voldoen; de klacht met burgerlijkepartijstelling steunt op het verlies van de mogelijkheid van de verweerder om betaling van zijn schuldvordering te verkrijgen en strekt zodoende ertoe vergoeding te verkrijgen voor schade die gemeen is aan alle schuldeisers van de gefailleerde eiser; enkel de curator was tijdens het faillissement bevoegd een klacht met burgerlijkepartijstelling te doen tegen de eiser wegens het faillissementsmisdrijf bestaande in het bedrieglijk wegmaken van de activa van de boedel om te ontkomen aan zijn verplichtingen tegenover zijn schuldeisers; de klacht van de verweerder die de uitsluitende bevoegdheid van de curator miskent, is niet ontvankelijk.

2. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 149 Grondwet schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

3. Het arrest stelt niet vast dat de vordering van de verweerder die bij arrest van het hof van beroep te Gent van 8 april 2008 gegrond werd verklaard, steunt op een schuldvordering die dateert van vóór eisers faillissement en evenmin dat de verweerder geen aangifte van die schuldvordering in dat faillissement heeft gedaan.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

4. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.

5. De artikelen 6, 1134, 1153, 1167, 1415 en 2262 Burgerlijk Wetboek zijn vreemd aan de aangevoerde grief.

In zoverre het middel schending van die wetsbepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

6. Artikel 1495 Burgerlijk Wetboek is een niet-bestaande bepaling.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

7. Krachtens artikel 63 Wetboek van Strafvordering volstaat het voor een ontvankelijke burgerlijke partijstelling te kunnen beweren door het misdrijf benadeeld te zijn geweest, dit wil zeggen dat de bewering omtrent de schade die door het misdrijf zou zijn geleden, aannemelijk wordt gemaakt. Bijgevolg moet voor de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling het rechtmatige karakter van die schade niet worden bewezen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Het in artikel 490bis Strafwetboek bepaalde misdrijf van bedrieglijk onvermogen is geen faillissementsmisdrijf, maar deze bepaling is van toepassing op elke schuldenaar die op enig moment de constitutieve bestanddelen van die bepaling verenigt, te weten het bedrieglijk organiseren van zijn onvermogen om zijn bezit feitelijk of juridisch te onttrekken aan gedwongen tenuitvoerlegging van zijn schuldeisers en het zich onttrekken aan zijn verplichting tot het betalen van een voldoende vaststaande, vervallen en opeisbare schuld, ongeacht welke van die bestanddelen het andere in de tijd voorafgaat.

Dat misdrijf kan aanleiding geven zowel tot morele schade als tot specifieke materiële schade die voortspruit uit de krenking van het rechtmatige belang op spoedi-ge betaling, waardoor bijzondere bijkomende kosten zijn ontstaan. Degene die beweert dergelijke schade als gevolg van dat misdrijf te hebben geleden, kan klacht met burgerlijkepartijstelling doen en moet daarbij, wil zijn klacht ontvanke-lijk zijn, zijn vermelde bewering aannemelijk maken.

9. Opdat het misdrijf van bedrieglijk onvermogen bestaat en schade kan veroorzaken, is niet vereist dat de schuldeiser gepoogd heeft een titel ten uitvoer te leggen of dat hij zelfs maar beschikt over een uitvoerbare titel. Evenmin heeft de tijdelijke onmogelijkheid voor de schuldeiser om met betrekking tot zijn schuld-vordering een concreet middel van tenuitvoerlegging te laten gelden, een invloed op het bestaan van het misdrijf.

10. Artikel 16, eerste lid, Faillissementswet bepaalt: "Te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen, zelfs over de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde en alle betalingen aan de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen."

Artikel 24 Faillissementswet bepaalt:

"Na hetzelfde vonnis kan een roerende of onroerende rechtsvordering of een mid-del van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen niet voortgezet, ingesteld of aangewend worden dan tegen de curators. De rechtbank kan de ge-failleerde niettemin als tussenkomende partij toelaten.

De beslissingen die worden gewezen omtrent de rechtsvorderingen voortgezet of ingesteld tegen de gefailleerde persoonlijk, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen."
Krachtens artikel 82 Faillissementswet kan de gefailleerde natuurlijke persoon die verschoonbaar is verklaard, niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers.

11. Deze bepalingen hebben niet tot gevolg dat tijdens het faillissement ontstane schulden niet opeisbaar zijn of blijven ten aanzien van de gefailleerde, maar enkel dat met betrekking tot die schulden de concrete rechtsvorderingen en middelen van tenuitvoerlegging van de individuele schuldeisers tegen de gefailleerde in de regel zijn opgeschort tot aan de sluiting van het faillissement. Na deze sluiting en behoudens zo de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, kunnen die schuldeisers voor het onbetaalde gedeelte hun rechtsvorderingen of de gedwongen tenuitvoerlegging van hun schuldvorderingen tegen de betrokkene aanvatten of hernemen.

12. De gedwongen tenuitvoerlegging zoals vermeld, kan belemmerd worden door het feit dat de schuldenaar tijdens zijn faillissement zijn bezit feitelijk of ju-ridisch onttrekt aan die tenuitvoerlegging. Hierdoor kunnen de vermelde schuldei-sers benadeeld worden, zodat zij een rechtmatig belang hebben om ook tijdens de periode van het faillissement tegen de gefailleerde klacht met burgerlijkepartijstel-ling te doen wegens bedrieglijk onvermogen. De rechter kan die klacht ontvankelijk verklaren wanneer de schuldeisers hun beweringen over de schade die zij door dit misdrijf zouden hebben geleden, aannemelijk maken.

In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen en op grond daarvan aanvoert dat tijdens het faillissement enkel de curator een ontvankelijke klacht met burgerlijke partijstelling wegens bedrieglijk onvermogen tegen de gefailleerde kan doen, faalt het naar recht.


13. Het arrest oordeelt dat de klacht met burgerlijke partijstelling van de verweerder en de erdoor op gang gebrachte strafvordering ontvankelijk zijn omdat:

- de verweerder in zijn vermelde klacht op een regelmatige wijze aannemelijk maakte benadeeld te zijn door het in de misdrijfperiode door de eiser gepleegde misdrijf van bedrieglijk onvermogen;
- de verweerder die aannemelijk maakte tijdens de misdrijfperiode over een ac-tuele en principieel opeisbare schuldvordering tegen de eiser te beschikken, naar aanleiding van zijn klacht niet eens diende te bewijzen dat op het ogenblik van het zich bedrieglijk onvermogend maken, eisers schuld gerechtelijk op een definitieve wijze was vastgesteld en niet het voorwerp van enige betwisting uitmaakte;
- de enkele omstandigheid dat de eiser failliet werd verklaard, immers niet im-pliceert dat de schuldvordering van de verweerder op hem vervallen zou zijn of zou zijn omgezet in een schuldvordering op de curator.

Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 490bis Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring, artikel 63 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 6, 1134, 1382, 1383, 1153, 1167, 1415, 1495 en 2262 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 17 en 18 Ge-rechtelijk Wetboek en de artikelen 16, 20, 24, 25, 26, 27, 30, 40, 45, 52, 53, 62, 63, 72, 77, 99 en 141 Faillissementswet: in de in het eerste middel vermelde omstandigheden kan het arrest uit de vastgestelde feiten niet afleiden dat de verweerder het rechtmatige belang had om een ontvankelijke klacht met burgerlijkepartijstelling te doen; de verweerder heeft die klacht doelbewust gedaan op basis van een onrechtmatig belang, te weten het subjectief recht op onmiddellijke betaling; aldus streefde hij enkel het behoud na van een onrechtmatig voordeel of van een toestand die in strijd is met de openbare orde, in casu met de Faillissementswet en het principe van de gelijkheid van de schuldeisers bij samenloop; hangende eisers faillissement kon de verweerder immers aan de eiser geen betaling vragen van zijn schuldvordering die voortvloeide uit het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 april 2008, omdat die betaling aan de verweerder een onrechtmatig voordeel zou verschaffen boven de andere schuldeisers in het faillissement en dus collectieve schade aan die andere schuldeisers zou veroorzaken; het arrest toetst niet verweerders belang op het moment van het neerleggen van zijn klacht; het kan de rechtmatigheid van dat belang niet afleiden uit de vaststelling dat de verweerder in zijn klacht aannemelijk maakte benadeeld te zijn door de aangeklaagde inbreuk op artikel 490bis Strafwetboek; door zonder rechtmatig belang klacht te doen, heeft de verweerder bovendien rechtsmisbruik gepleegd.

15. Het arrest stelt niet vast dat de verweerder door zijn klacht met burgerlijke partijstelling de onmiddellijke betaling van zijn schuldvordering nastreefde, maar enkel dat hij aannemelijk maakte geschaad te zijn door het bedrieglijk onvermogen van de eiser.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

16. Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheden.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 262,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 20 januari 2015 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.