Geen overname van gemene muur wegens isolatie en afscherming



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Rechtsmisbruik

Uitspraak

De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, eerste kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

 

A.R. nr. 09/508/A INZAKE :


De heer L.D. en mevrouw L.A., ...


TEGEN :


De heer J.V.D.B. en mevrouw M.C., ...


* * * * *


De rechtbank neemt in acht :
- het bestreden vonnis van de vrederechter van het kanton Heist-op-den-Berg van 06.11.2008 (A.R. nr. 08A279);
- het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 02.04.2009;
- de beschikking van 05.05.2009 verleend overeenkomstig artikel 747 § 1 van het gerechtelijk wetboek die het akkoord van de partijen betreffende de conclusiekalender bekrachtigt;
- de beroepsconclusie voor de heer en mevrouw V.D.B.-C., neergelegd ter griffie op 29.06.2009;
- de beroepsconclusie voor de heer en mevrouw D.-A., neergelegd ter griffie op 01.09.2009;
- de aanvullende en hernemende beroepsconclusie voor de heer en mevrouw V.D.B.-C., neergelegd ter griffie op 28.09.2009;
- de voor de heer en mevrouw V.D.B.-C. en voor de heer en mevrouw D.-A. overgelegde stukken.

 

 1. Procedure

1.1. Procedurevoorgaanden en vorderingen van partijen

De betwistingen tussen partijen hebben betrekking op de vraag of de heer en mevrouw V.D.B.-C. bij het uitvoeren van bouwwerken op hun eigendom, al dan niet de aangrenzende muur van de heer en mevrouw D.-A. in gebruik genomen hebben.

De oorspronkelijke vordering van heer en mevrouw D.-A., ingeleid bij exploot van dagvaarding betekend op 07.04.2008, strekte er toe:
- de heer en mevrouw V.D.B.-C. te veroordelen tot betaling van de som van euro 6.189,81 te vermeerderen met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 27.04.2007 ten titel van gemeenmaking van de scheidingsmuur tussen de erven te ... en ...;
- de heer en mevrouw V.D.B.-C. te veroordelen tot betaling van de som van euro 750,00 ten titel van schadevergoeding;
- akte te verlenen van voorbehoud voor alle andere en verdere schade;
- alle sommen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten;
- minstens, in toepassing van artikel 735 van het gerechtelijk wetboek en alvorens verder recht te doen, een gerechtsdeskundige aan te stellen met opdracht zoals omschreven in de inleidende dagvaarding;
- het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren niettegenstaande ieder rechtsmiddel en zonder vermogen van borgstelling en/of kantonnement.

De heer en mevrouw V.D.B.-C. vroegen in conclusies om de vordering van de heer en mevrouw D.-A. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en hen te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.

Bij vonnis van 06.11.2008 heeft de vrederechter van het kanton Heist-op-den-Berg:
- de vordering van de heer en mevrouw D.-A. ontvankelijk doch ongegrond verklaard;
- de heer en mevrouw D.-A. veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de zijde van de heer en mevrouw V.D.B.-C. begroot op euro 900,00 rechtsplegingsvergoeding.

De heer en mevrouw D.-A. stelden bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 02.04.2009, hoger beroep in tegen het vonnis van 06.11.2008. Zij vorderen om het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en verder recht te doen:
· in hoofdorde:
- de heer en mevrouw V.D.B.-C. te veroordelen tot betaling van de som van euro 6.189,81 te vermeerderen met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 27.04.2007 ten titel van gemeenmaking van de scheidingsmuur tussen de erven te ... en ...;
- akte te verlenen van voorbehoud voor alle andere en verdere schade;
- alle sommen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten;
· in ondergeschikte orde:
- alvorens verder recht te doen, een gerechtsdeskundige aan te stellen met opdracht zoals omschreven in de beroepsconclusie;
- de kosten alsdan aan te houden;
· in meest ondergeschikte orde:
- alleszins een plaatsopneming te bevelen;
- de kosten alsdan eveneens aan te houden.

De heer en mevrouw V.D.B.-C. vorderen om het hoger beroep van de heer en mevrouw D.-A. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, dienvolgens diens oorspronkelijke vorderingen af te wijzen, en hen te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.


1.2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Van het bestreden vonnis wordt geen akte van betekening overgelegd, noch wordt beweerd dat dit vonnis zou betekend zijn, zodat het hoger beroep, tijdig en regelmatig ingesteld, ontvankelijk is, waarover geen betwisting bestaat.


2. Feiten

De heer en mevrouw D.-A. en de heer en mevrouw V.D.B.-C. zijn de eigenaars van aan elkaar palende erven gelegen te ..., respectievelijk nummers ... en ....

Door de vorige eigenaars van het erf gelegen te ..., met name de heer en mevrouw C.-V.L., werd overeenkomstig een verslag van muurovername van 15.10.1984 een deel van de muur van de heer en mevrouw D.-A. overgenomen voor een bedrag van 50.560 BEF.

Door de huidige eigenaars, de heer en mevrouw V.D.B.-C., werd in 2007 gestart met bouwwerken op het erf te ..., waarbij een nieuwe muur werd opgericht naast de muur van de heer en mevrouw D.-A..

Volgens de heer en mevrouw D.-A. diende er een verdere overname van hun muur te gebeuren, en zij lieten door landmeter-schatter Louis Weckx een berekening maken van de waarde van de over te nemen muurdelen. Deze weerhield een bedrag van euro 12.379,63 met voorstel dat de overnemers hiervan slechts 1/3e zouden betalen (hetzij euro 4.126,00) als vereffening van de muurovername, omwille van het niet inwerken in de bestaande muur.

De heer en mevrouw D.-A. legden op 21.05.2007 op het vredegerecht te Heist-op-den Berg een verzoekschrift neer om de heer en mevrouw V.D.B.-C. op te roepen in verzoening aangaande het geschil betreffende de overname van de muur.

Per fax van 11.06.2007 meldde de raadsman van de heer en mevrouw D.-A. aan het vredegerecht te Heist-op-den-Berg dat een regeling niet mogelijk zou zijn, vermits de bouwwerken nog niet opgeleverd waren.

Uiteindelijk zijn de heer en mevrouw D.-A. overgegaan tot dagvaarding van de heer en mevrouw V.D.B.-C. voor het vredegerecht van het kanton Heist-op-den-Berg.


De verdere gegevens van de zaak en de argumenten van de partijen zullen verder bij de beoordeling van de zaak behandeld worden, voor zover ze dienend zijn.


3. Beoordeling


Na nieuw onderzoek in hoger beroep treedt de rechtbank de oordeelkundige redengeving en besluitvorming van de eerste rechter bij. Slechts ter verduidelijking overweegt de rechtbank wat volgt.


3.1.
Artikel 661 van het burgerlijk wetboek bepaalt dat iedere eigenaar van een erf dat paalt aan een muur, het recht heeft om die muur geheel of gedeeltelijk gemeen te maken mits betaling van een vergoeding. Dit artikel voorziet aldus in een recht tot gemeenmaking, maar legt geen verplichting op.

Niettemin wordt aanvaard dat op basis van dit artikel de eigenaar van een privatieve scheidingsmuur vanwege zijn nabuur de prijs voor het gemeen maken van deze scheidingsmuur kan vorderen, indien en voor zover deze nabuur van de muur op zodanige wijze gebruik maakt dat hij zich het medebezit ervan aanmatigt, en aldus een inbreuk pleegt op het uitsluitende eigendomsrecht en dit gebruik niet redelijkerwijze kan voortzetten zonder de impliciete wil om de muur gemeen te maken (o.a. Cass. 22 juni 1990, A.C. 1989-90, 1367; Cass. 2 september 1994, A.C. 1994, 694).

Wat als een daad van inbezitneming dient te worden beschouwd is een feitenkwestie die door de rechtbank op soevereine wijze wordt beoordeeld.

De enkele omstandigheid dat de nabuur uit het bestaan van de muur voordeel haalt, houdt evenwel geen daad van inbezitneming in die tot gedwongen koop van de muurgemeenheid aanleiding geeft. (o.a. Cass. 22 juni 1990, A.C. 1989-90, 1367; Cass. 23 oktober 1992, R.W. 1994-95, 948)


3.2.
Het is duidelijk dat er sprake is van bezitsaanmatiging wanneer de bouwwerken van de buur op of tegen de muur steunen.

Wanneer er echter ruimte gelaten wordt tussen de beide bouwwerken die elkaar nergens raken, en het nieuwe bouwwerk op zichzelf kan staan, is er in de regel geen sprake van een bezitsaanmatiging.

De heer en mevrouw V.D.B.-C. stellen dat zij op enkele centimeters van de fundering en de muur van de heer en mevrouw D.-A. een zelfdragende muur opgericht hebben, waarbij de ruimte tussen de beide muren werd opgevuld met isolatiemateriaal. Zij stellen dat zij een beroep gedaan hebben op moderne bouwtechnieken om ervoor te zorgen dat hun muur de bestaande muur van de heer en mevrouw D.-A. niet raakt, om aldus een betere geluids- en warmte-isolatie te verkrijgen dan bij een materieel contact.

Het gegeven dat de heer en mevrouw V.D.B.-C. een zelfdragende muur opgericht hebben, die de muur van de heer en mevrouw V.D.B.-C. niet raakt, wordt op zich niet betwist door de heer en mevrouw D.-A..

Bijgevolg stelt zich de vraag of er nog wel sprake is van een bezitsaanmatiging die aanleiding geeft tot het gemeen maken van de muur, wanneer, zoals in voorliggend geval, de ruimte tussen de beide gebouwen op één of andere manier beveiligd werd tegen waterinsijpeling.
De heer en mevrouw D.-A. kunnen alleszins niet gevolgd worden wanneer zij stellen dat, nadat reeds een deel van de muur werd gemeen gemaakt, het gebouw thans hoger werd opgetrokken zodat de materiële gemeenmaking trapsgewijs werd opgevoerd, waardoor een bijkomende vergoeding verschuldigd zou zijn. Omwille van het feit dat er een volledig nieuwe muur werd opgericht, die zelfdragend is, dient immers concreet te worden nagegaan of er op enige wijze nog sprake is van een bezitsaanmatiging.

Concreet werpen de heer en mevrouw D.-A. de volgende feitelijke elementen van ingebruikname van hun muur op:
- de nieuwe muur vertrekt van een betonnen voetzool die gestort is op funderingsputten die geheel zijn uitgegraven langsheen de bestaande funderingen van de muur van het pand van de heer en mevrouw D.-A.. De funderingen van de oorspronkelijke muur van de heer en mevrouw D.-A. werden daarbij gebruikt als permanente bekisting;
- er werden leidingen tegen de wachtmuur gelegd;
- er werd een zeer kleine luchtspouw gecreëerd waarin loszittende isolatieplaten werden gestoken;
- tijdens de bouwwerken werd gebruik gemaakt van de muur van de heer en mevrouw D.-A. voor de installatie van bouwpassen;
- achteraf werd de luchtspouw aan de voor- en achterzijde opgevoegd en gedicht. Ter hoogte van het platte dak werd de roofing aangewerkt tot op het dak van de woning van de heer en mevrouw D.-A..


3.3.
Wat betreft het eventuele gebruik door de heer en mevrouw V.D.B.-C. van de funderingen van de heer en mevrouw D.-A., als bekisting voor de eigen fundering, is de rechtbank samen met de eerste rechter van oordeel dat de heer en mevrouw V.D.B.-C. blijkbaar niet anders gefundeerd hebben dan wanneer de woning van de heer en mevrouw D.-A. er niet zou staan.

Bovendien is de stabiliteit van het gebouw van de heer en mevrouw V.D.B.-C. niet afhankelijk van de fundering van de heer en mevrouw D.-A..

Louter ten overvloede kan er nog op gewezen worden dat bij de muurovername door de vorige eigenaars, ook het overeenstemmende deel van de fundering reeds werd overgenomen, zoals blijkt uit het verslag van muurovername van 15.10.1984.

3.4.
Wat betreft het eventuele tijdelijk plaatsen van leidingen en bouwpassen tegen de muur van de heer en mevrouw D.-A., sluit de rechtbank zich eveneens aan bij het oordeel van de eerste rechter dat een vluchtig en tijdelijk gebruik niet kan beschouwd worden als een inbezitname die aanleiding geeft tot gemeenmaking.

Het is immers vereist dat men een inbreuk pleegt op het uitsluitende eigendomsrecht en dit gebruik niet redelijkerwijze kan voortzetten zonder de impliciete wil om de muur gemeen te maken.

Men hoeft niet bij aanvang van de bezitsinbreuk de bedoeling gehad te hebben om de betrokken muur gemeen te maken. Het is voldoende dat de wil tot gemeenmaking aanwezig is wanneer men voor de keuze geplaatst wordt om een einde te maken aan de inbreuk op het eigendomsrecht van de buur. Enerzijds impliceert dit dat de weigering om aan de bezitsaanmatiging een einde te maken neerkomt op een wilsuiting tot gemeenmaking. Anderzijds impliceert dit eveneens dat wanneer er wel een einde wordt gemaakt aan de bezitsaanmatiging (door verwijdering van de leidingen en bouwpassen), er geen wilsuiting tot gemeenmaking aanwezig is.


3.5.
Tenslotte resten nog de plaatsing van loszittende isolatieplaten in de spouw, het opvoegen en dichten van de muur aan de voor- en achterzijde, en het aanwerken op het dak.

De rechtbank is van oordeel dat het opvullen van de nauwe ruimte tussen de twee muren met isolatiemateriaal, het afsluiten van de zijkanten met cement en het afsluiten van de bovenkant met een plaat, alsook het aanwerken van de dakbedekking tot tegen de muur van de heer en mevrouw D.-A., met andere woorden allen maatregelen van beveiliging tegen waterinsijpeling, onvoldoende reden uitmaken om de buur tot gemeenmaking van de muur te verplichten.

Men zou kunnen stellen dat het smeren van cement en het aanbrengen van een plaat tegen de rand van de muur een inbreuk vormt op het eigendomsrecht van de eigenaar van de muur. Indien deze eigenaar van de muur zou eisen dat de cement en de plaat weggenomen worden, zou zulks evenwel stuiten op het verbod van rechtsmisbruik, indien daardoor de goede isolatie van de muur onmogelijk gemaakt wordt. Het voordeel dat men wenst te verkrijgen door dergelijke maatregelen te eisen, is immers veel kleiner dan het nadeel dat men ermee veroorzaakt voor de nabuur, zodat men zijn eigendomsrecht niet uitoefent zoals het een normaal voorzichtig en redelijk mens betaamt (o.a. Cass. 10 september 1971, A.C. 1972, 31; Cass. 18 februari 1988, A.C. 1987-88, 790). Dergelijke mogelijke inbreuken kunnen volgens de rechtbank dan ook niet beschouwd worden als bezitsaanmatiging die aanleiding geeft tot het gemeen maken van de muur op basis van artikel 661 van het burgerlijk wetboek.

Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de heer en mevrouw D.-A. ongegrond is.


3.6.
In ondergeschikte orde vragen de heer en mevrouw D.-A. een expertisemaatregel.

De rechtbank oordeelt soeverein over de opportuniteit van het bevelen van een onderzoeksmaatregel.

Overeenkomstig artikel 875bis van het gerechtelijk wetboek beperkt de rechter de keuze van de onderzoeksmaatregelen tot wat volstaat om het geschil op te lossen, waarbij de meest eenvoudige, snelle en goedkope maatregel de voorkeur geniet.

De wetgever heeft met dit artikel de subsidiariteit van het deskundigenonderzoek willen benadrukken ten overstaan van de andere onderzoeksmaatregelen waarover de rechter beschikt.

Alvorens een deskundigenonderzoek te bevelen moet de rechter nagaan of hij zich niet op een andere manier kan laten voorlichten. Een deskundigenonderzoek brengt immers aanzienlijke kosten met zich mee, vertraagt de procedure en werkt de gerechtelijke achterstand mee in de hand (Parl. St. Kamer 2006-07, 51-2540/007, 5 en 7).

Daarbij dient er tevens op gewezen te worden dat het deskundigenonderzoek geen ander doel heeft dan de rechter een onafhankelijk en onpartijdig advies te verschaffen over technische punten die door hem beoordeeld dienen te worden, teneinde het voor hem gebrachte geschil te beslechten (o.a. Cass. 15 februari 2006, N.J.W. 2006, 559).

De rechtbank meent zich een voldoende duidelijk beeld te kunnen vormen van de feitelijke elementen van ingebruikname die door de heer en mevrouw D.-A. aan de heer en mevrouw V.D.B.-C. verweten worden, dankzij het uitgebreide fotomateriaal dat door de heer en mevrouw D.-A. werd overgemaakt. Enig verder technisch advies over deze feitelijkheden is geenszins vereist opdat de rechtbank, zoals hierboven reeds uiteengezet, de nodige juridische gevolgen kan verbinden aan de verweten feitelijkheden.

De heer en mevrouw D.-A. stellen tevens dat een plaatsopneming aangewezen is, indien er twijfel zou bestaan over het fotomateriaal. Zoals reeds gezegd twijfelt de rechtbank geenszins aan het door de heer en mevrouw D.-A. aangebrachte fotomateriaal.

De rechtbank beschikte over voldoende feitelijke en technische gegevens om zich een oordeel te vormen, zodat er geen verdere onderzoeksdaden noodzakelijk zijn.

 

BESLISSING VAN DE RECHTBANK :

 

Dit vonnis wordt uitgesproken op tegenspraak en in hoger beroep;

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan en deze van de wetten van 26.06.2000 en 30.06.2000 betreffende de invoering van de euro en de in uitvoering hiervan genomen koninklijke besluiten van 20.07.2000 werden in acht genomen;

Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond en wordt afgewezen;

Het bestreden vonnis wordt bevestigd in al zijn beschikkingen;

De heer en mevrouw D.-A. worden veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep, voor henzelf begroot op euro 82,00 (rolrecht) + euro 900,00 (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep) = euro 982,00 en voor de heer en mevrouw V.D.B.-C. begroot op euro 900,00 (rechtsplegingvergoeding hoger beroep).


Dit vonnis werd uitgesproken op tweeëntwintig december tweeduizend en negen in openbare terechtzitting van de eerste kamer, die samengesteld was uit

De heer M. DE GENDT, ondervoorzitter, voorzitter van de kamer
De heer J. VAN MEULDER, rechter
Mevrouw S. VANHOONACKER, rechter
Mevrouw A. MEYNAERTS, griffier.