Kinderalimentatie na huwelijk



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Alimentatie kind in België (onderhoudsgeld)

Uitspraak

Cass. 20 april 2007

Nr. C.05.0153.N

K.L.,
eiseres,

tegen
1. B.A.,
2. B.I.,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 8 november 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen.
Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 203, §1, zoals vervangen bij artikel 32 van de Wet van 31 maart 1987, B.S., 27 mei 1987 en gewijzigd door artikel 2 van de Wet van 13 april 1995, B.S., 24 mei 1995.
Aangevochten beslissingen
Het aangevochten vonnis veroordeelt de eiseres tot teruggave aan de verweerder van alle ontvangen onderhoudsbijdragen voor hun dochter vanaf juli 2001 op grond van de beslissing dat vanaf die datum verweerder niet meer gehouden was tot dergelijke bijdragen.
Deze laatste beslissing is gesteund op de volgende motieven:
"(De verweerder) vordert de afschaffing van de onderhoudsbijdrage vanaf mei 2001 omdat hij stelt dat sedert die datum zijn dochter alleen is gaan wonen.
Op het ogenblik dat partijen, (de verweerder) en (de eiseres), uit elkaar zijn gegaan werd aanvankelijk voor (...) hun enige dochter, geboren op 13 juni 1983, (...) een onderhoudsbijdrage voorzien van 3.500 BEF (beschikking kort geding 20 november 1985), bedrag dat nadien is opgetrokken tot 5.000 BEF (vonnis vredegerecht 12 april 1994) 123,95 euro en geïndexeerd in januari 2002, 142,66 euro bedroeg.
Nadat (de verweerder) en (de eiseres) huidige procedure bij de eerste rechter zijn aangevat bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning dd. 30 april 2002, is bij verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst dd. 14 mei 2002 (hun dochter) tussengekomen met de vraag de onderhoudsbijdrage 'voortaan' aan haar rechtstreeks te betalen en de onderhoudsbijdrage te verhogen tot 250 euro.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat (de dochter) in juli 2001 in het huwelijk is getreden en dat haar man haar pas in april 2002 in België vervoegd heeft.
Op 21 september 2001 heeft (de dochter) een huurovereenkomst voor een woning afgesloten ad 10.500 BEF.
De bewering van (de verweerder) als zou (zijn dochter) reeds vanaf mei 2001 afzonderlijk wonen wordt door geen stuk aangetoond.
Krachtens artikel 213 Burgerlijk Wetboek, zijn de echtgenoten jegens elkaar tot samenwoning verplicht ; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd.
Deze onderhoudsverplichting primeert op de andere onderhoudsverplichtingen.
Het feit dat de echtgenoot van (de dochter) haar pas in april 2002 zou hebben vervoegd in België doet geen afbreuk aan deze essentiële verplichting.
De beslissing om in het huwelijk te treden tijdens haar studies is een keuze die (de dochter) zelf gemaakt heeft, zoals zij in haar besluiten aangeeft.
Het gaat niet op dat de ouders, bij een huwelijk van hun kinderen toch nog verder een onderhoudsplicht hebben tegenover hun kinderen, nu deze verplichtingen onmiddellijk van bij aanvang van het huwelijk wordt vervangen door de verplichting van de echtgenoten jegens elkaar.
Hieraan voorbij gaan zou een ontkenning betekenen van de instelling van het huwelijk en de daaruit voortspruitende rechten en plichten.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte (de verweerder) heeft veroordeeld tot verdere betaling van een onderhoudsbijdrage aan zijn dochter.
Het hoger beroep is derhalve gegrond en het eerste vonnis dient derhalve hervormd zoals hierna bepaald".

Grieven
Artikel 203, §1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek stelt uitdrukkelijk dat "indien de opleiding niet voltooid is, de verplichting (gedefinieerd in lid 1, met name tot huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding van de kinderen) door(loopt) na de meerderjarigheid van het kind".
De verplichting voortvloeiend uit artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek neemt dus geen einde zolang de opleiding van het kind niet voltooid is. De plicht van de ouders loopt bijgevolg door tot op het ogenblik dat de opleiding van hun kind voleindigd zal zijn.
De onderhoudsplicht op grond van artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek neemt niet automatisch een einde bij de aanvang van het huwelijk om te worden wordt vervangen door de wettelijke verplichting van de echtgenoten jegens elkaar voortvloeiende uit artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek zonder dat deze onderhoudsplicht verder zou blijven rusten op de ouders, indien de echtgenoot van het studerende kind niet in staat blijkt te zijn diens verplichtingen krachtens artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek na te komen bij gebreke aan eigen inkomsten.
Het onderzochte vonnis oordeelt echter dat het niet opgaat dat "de ouders, bij een huwelijk van hun kinderen toch nog verder een onderhoudsplicht hebben tegenover hun kinderen, nu deze verplichting onmiddellijk van bij de aanvang van het huwelijk wordt vervangen door de verplichting van de echtgenoten jegens elkaar" (vonnis, pagina 4).
Door te verwijzen naar de feitelijke omstandigheden "volledig weergegeven door de eerste rechter" (vonnis, pagina 3, derde alinea) maakt het aangevochten vonnis deze tot de zijne.
De eerste rechter stelt, in diens vonnis van 2 september 2003, vast dat "uit de neergelegde stukken inderdaad blijkt dat de echtgenoot van (de dochter) OCMW-steungerechtigd is en hij momenteel in een sociale economische situatie verkeert die hem nog niet toelaat zijn hulpverplichting ten opzichte van zijn echtgenote na te komen" (vonnis van 2 september 2003 van de vrederechter, derde bladzijde, bovenaan).
Door op grond van het enkele feit van het huwelijk van diens studerende dochter samen met de vaststelling van de eerste rechter dat haar echtgenoot zich niet in de mogelijkheid bevindt om zijn echtelijke verplichting tot hulpverlening na te komen, te beslissen dat de verweerder niet langer meer gehouden was tot diens wettelijke onderhoudsplicht zolang de studies van de dochter niet beëindigd zijn, schendt het aangevochten vonnis artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek.
Indien het aangevochten vonnis in die zin moet gelezen worden dat het de feitelijke vaststellingen van de vrederechter niet tot de zijne zou hebben gemaakt, antwoordt het aangevochten vonnis alsdan niet op het door eiseres in haar `conclusie in graad van beroep' opgeworpen middel dat de echtgenoot van haar dochter "niet in staat blijkt te zijn hulpverplichting krachtens artikel 213 B.W. na te komen bij gebreke aan eigen inkomsten" zodat "de ouders verplicht (blijven) bij te dragen in het onderhoud van de - zelfs meerderjarige en gehuwde - dochter in de mate van hun respectieve mogelijkheden" (p. 4, randnummer 4).
Door niet te antwoorden op het middel van de eiseres dat de onderhoudsplicht, ook in de hypothese van het huwelijk, blijft bestaan wanneer de echtgenoot geen inkomen heeft, miskent het aangevochten vonnis, mitsdien, ook artikel 149 van de Grondwet.

Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- Artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen
Het aangevochten vonnis veroordeelt de eiseres tot teruggave aan de verweerder van alle ontvangen onderhoudsbijdragen voor hun dochter vanaf juli 2001 op grond van de beslissing dat vanaf die datum de verweerder niet meer gehouden was tot dergelijke bijdragen.

Grieven

De eiseres stelde in "conclusie in graad van beroep' dat de vordering van de verweerder tot retroactieve betaling van de door hem betaalde onderhoudsgelden diende ongegrond te worden verklaard omdat de eiseres "zoals eerder gesteld en zoals bevestigd door (haar dochter) de door (de verweerder) betaalde onderhoudsbijdrage samen met de kinderbijslag steevast overmaakte aan haar dochter" (p. 4, in fine).
Door niet te antwoorden op het middel van de eiseres dat erin bestond de vordering van de verweerder tot retroactieve terugbetaling van de betaalde onderhoudsgelden ongegrond te horen verklaren omdat deze gelden door haar samen met de kinderbijslag steevast werden overgemaakt aan haar dochter, miskent het aangevochten vonnis artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat de ouders naar evenredigheid van hun middelen dienen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kind en dat deze verplichting doorloopt na de meerderjarigheid van hun kind, indien de opleiding niet voltooid is.
Artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat echtgenoten elkaar, onder meer, hulp en bijstand verschuldigd zijn.
2. Ingeval het kind gehuwd is, primeert in regel de bijzondere onderhouds-verplichting tussen echtgenoten, de ouderlijke onderhoudsverplichting.
Zulks neemt evenwel niet weg dat de ouderlijke onderhoudsverplichting blijft gelden wanneer de middelen van de echtgenoot van het kind ontoereikend zijn om zijn onderhoudsverplichting na te komen of wanneer vaststaat dat hij in gebreke is.
3. De appelrechters stellen vast, mede met verwijzing naar het beroepen vonnis, dat:
- de opleiding van de meerderjarige dochter van de eiseres en de verweerder een normale voortgang kent maar nog niet is voltooid;
- de dochter, behalve OCMW-steun, geen normale inkomsten geniet en zodoende onderhoudsgerechtigd is;
- de dochter in juli 2001 is gehuwd en vervolgens in september 2001 alleen is gaan wonen, waarna haar echtgenoot zich in april 2002 bij haar heeft vervoegd;
- de echtgenoot in die periode OCMW-steungerechtigd was en in een sociale en economische situatie verkeerde die hem nog niet toeliet zijn hulpverplichting ten opzichte van zijn echtgenote na te komen;
- de echtgenoot sinds juli 2003 werk heeft en een uurloon ontvangt van bijna 10 euro.
Op grond hiervan oordelen de appelrechters dat "het niet op(gaat) dat de ouders bij een huwelijk van hun kinderen toch nog verder een onderhoudsplicht hebben tegenover hun kinderen, nu deze verplichtingen onmiddellijk van bij de aanvang van het huwelijk (worden) vervangen door de verplichting van de echtgenoten jegens elkaar" en "dat hieraan voorbijgaan een ontkenning (zou) betekenen van de instelling van het huwelijk en de daaruit voortspruitende rechten en plichten".
De appelrechters beslissen vervolgens dat "vanaf juli 2001 (de verweerder) niet meer gehouden is een onderhoudsbijdrage te betalen voor zijn dochter" en zij veroordelen de eiseres "tot teruggave aan (de verweerder) van alle ontvangen onderhoudsbijdrage(n) voor (hun dochter) vanaf die datum".
4. Door aldus te beslissen, schenden de appelrechters artikel 203, §1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, zitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Albert Fettweis, en op de openbare terechtzitting van 20 april 2007 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.