Verplichting bij een boedelbeschrijving



Deze uitspraak is opgenomen onder het artikel Boedelbeschrijving

Uitspraak

Cass. 3 maart 2015, P.14.0032.N

Tweede middel
Eerste onderdeel
8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1175 en 1183 Gerechte-lijk Wetboek en 226 Strafwetboek: het arrest stelt de verweerster buiten vervol-ging voor het afleggen van een valse eed bij de boedelbeschrijving; het oordeelt dat de eed niet zozeer betrekking heeft op de oprechtheid en het waarheidsge-trouw karakter van de verklaringen bij de boedelbeschrijving, maar wel op het feit dat niets werd verduisterd; het oordeelt ten onrechte dat geen valse eed uitmaakt,
- de eventuele onjuistheid van verweersters verklaringen over de oorsprong van de gelden die gediend hebben voor de aankoop van de gezinswoning,
- de al dan niet juistheid van haar verklaringen over de oorsprong van de gelden die de eiser van zijn ouders kreeg,
- de al dan niet juistheid van haar verklaringen over de vindplaats en eigendom van waardepapieren.
9. De boedelbeschrijving die wordt opgesteld met het oog op de vereffening en verdeling van een gemeenschap, heeft tot doel de inventaris van de boedel vast te stellen. De partijen bij de boedelbeschrijving hebben de verplichting elk goed aan te geven waarvan het bestaan onbekend zou kunnen blijven en dat een invloed kan hebben op de samenstelling van de massa.
Onder verduistering, in de zin van artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek, moet worden verstaan iedere daad of iedere nalatigheid die ertoe strekt een goed te onttrekken aan de boedel van de gemeenschap. De eed die bij de boedelbeschrijving wordt afgelegd, heeft aldus betrekking op de vermeldingen die nuttig zijn voor het vaststellen van de omvang van de boedel, niet op verklaringen omtrent de oorsprong of de eigendom van de goederen waarover de strafrechter niet bevoegd is te oordelen, maar die aan bod zullen komen ter gelegenheid van de vereffening en verdeling.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.